Kennisclip 1: hd 1 Wat is sociologie?
Sociologie: “het systematisch onderzoek van de menselijke samenleving.”
↓
Socio= samen en lagos= kennis
Wie ben je? En hoe ben je zo geworden?
Keuzes maak je niet alleen, je wordt beïnvloed door de context waarin je functioneert zoals in
Socialwork: de man/vrouw verhouding.
Het sociologisch perspectief gaat in op de manier hoe jij naar de samenleving kijkt. Het helpt bij het
verklaren van de samenleving.
Je hebt 3 sociologische perspectieven:
1. Structureel functionalisme
Samenleving bestaat uit structuren (systemen) die een functie hebben om te functioneren in
de samenleving.
2. Conflictsociologie
Ongelijkheid in de samenleving daardoor ontstaan conflicten die zorgen voor veranderingen
in de samenleving
3. Symbolisch interactionisme
Op micro niveau. Kijkt naar contacten tussen mensen.
Sociologisch verbeeldingskracht= het vermogen om brede maatschappelijke ontwikkelingen in
verband te brengen met de individuele ervaring- en belevingswereld (Mils)
Private troubles= persoonlijke problemen
Public issues= maatschappelijke kwesties
↓
Bv. nieuwkomers in Nl die integreren. Eigen probleem, maar ook maatschappelijk zoals waar komen
ze terecht. Het is breder dan het individu.
Externaliseren: probleem ontstaat door te doen buiten buitenaf (sociale omgeving)
Depolitiseren: eigen schuld dikke bult
Sociologie ontstond tijdens de modernisering.
↓
Een sociaal veranderingsproces wat ingezet werd door de industriële revolutie.
Voor de industriële revolutie waren er overzichtelijke kleine gemeenschappen.
1
,4 kenmerken van modernisering=
Verdwijnen kleine traditionele gemeenschappen
Individuele keuzemogelijkheid
Grote sociale diversiteit (meer contacten)
Oriëntatie op toekomst en tijdbewustzijn
Wetenschappelijke technologische vooruitgang → economische processen → maatschappelijke
veranderingen
Ferdinand Tönnies
Gemeinschaft (groepsbelang): traditioneel
Gesellschaft (individu): modern
Gevaren moderne samenleving
Tönnies: verzwakking solidariteit door processen
Durkheim: gevaar voor anomie (samenleving biedt het individu weinig collectieve waarden en
gedeelde normen
Marx: klassensamenleving waar macht en uitbuiting dienst uit maken
Als sociaalwerker moet je rekening houden met solidariteit en normenloosheid.
Kennisclip 2: hd 4 Socialisatie van jeugd tot ouderdom
Socialisatieproces= de ontwikkeling van een persoonlijkheid worden voor een groot deel bepaald
door sociale ervaringen en sociale interactie met andere mensen (omgeving)
↓
Voorbeeld: ferale kinderen/ wolfskinderen
Nature vs nurture
Is ons gedrag aangeboren of aangeleerd?
Socialisatie: proces van cultuuroverdracht
Bedoeld en onbedoeld (ruzie, vrolijk)
Via imitatie, identificatie, dwang (straf en belonen)
Internalisering (gedrag wordt onderdeel van persoonlijkheid)
Externalisering (gedrag als voorbeeld voor anderen binnen onze sociale omgeving)
Er zijn verschillen in socialisatie tussen en binnen de samenleving zoals sekse, klasse, etniciteit, religie
en regio.
Er zijn verschillende visies op het socialisatieproces
2
,Meads sociaal behavioristische theorie:
1. Het ‘zelf’/zelfbeeld ontstaat door sociale ervaringen.
2. Ik besef of ‘zelf’ door interactie met anderen door het uitwisselen van symbolen zoals
gedachten
3. De rol van de ander aannemen
- Gespiegelde zelf= ons eigen zelfbeeld dat is gebaseerd op onze eigen gedachten hoe
andere ons zien/over ons denken
4. Door de rol van de ander aan te nemen worden we bewust van onszelf
Sociale instituties= het systeem dat samenhangt en de behoeften van mensen vervult zoals:
Het gezin met zorg, liefde en verwachtingen t.a.v. kinderen
De school met verborgen curriculum of te wel er gebeurt van alles op school naast de vakken
die je leert. Je leert bijvoorbeeld gedrag en hoe je met anderen omgaat
Peergroup (interesses, sociale positie en leeftijd)
- Anticiperende socialisatie: proces van erbij willen horen
Massamedia
- Bekrachtigen genderollen en vergroten referentiekader
- Social media geeft mogelijkheid tot samenwerking
Socialisatie is nooit af
Kinderjaren: leren en spelen
Adolescentie: het ontwikkelen van een sociale identiteit
Volwassenheid: productieve mens met gezin en carrière
Ouderdom: vrij van maatschappelijke verplichten
Belangrijke begrippen=
Kohlberg ontwikkeling van het moderne denken of te wel de drie niveaus van morele
ontwikkeling.
Rouwproces Kubler – Ross
Resocialisatie: heropvoeding
Totale instituties: dit zijn instituties waarin alle aspecten van de mens zich op één plek
afspelen met dezelfde mensen zoals ziekenhuizen. Alles zit in één omgeving en is afgesloten
van de buitenwereld.
Fases van het rouwproces=
1. Ontkenning
2. Woede
3. Onderhandelen
4. Depressie
5. Aanvaarding
Kennisclip: hd 15 gezin en familie
3
,Het gezin is een sociale institutie
Familiebetrekkingen= sociale banden die gebaseerd zijn op afstamming, huwelijk en adoptie
Het gezin is een sociale groep bestaande uit ouder(s) en kinderen
Veel variaties: standaard gezin, gebroken gezinnen, eenoudergezinnen, samengesteld gezin
etc.
Het huwelijk is een afhankelijkheid van de samenleving. Je hebt verschillende soorten huwelijken.
Huwelijkspatronen
Endogamie: er wordt getrouwd tussen mensen met dezelfde sociale klasse, religie die uit
hetzelfde milieu komen
Exogamie: huwelijk uit verschillende categorieën/klasse dus het mixen van klassen
Monogamie: verbintenis met twee partners
Polygamie: verbintenis met meer dan 2 partners
- Polygynie: (meerdere vrouwen)
- Polyandrie: (meerdere mannen)
Woonpatroon
Matrilocaliteit: vestigt op de plaats waar de vrouw woont
Patrilocaliteit: volgt lijn van de vader. Vestigt op de plaats waar de man woont.
Neolocaliteit: niet gebonden aan patronen en verwachtingen
Afstammingspatronen
Patrilineair: achternaam van de vader
Matrilineair: achternaam van de moeder
Bilateraal: tweezijdig of wederzijds bindend
De functies van het gezin
Socialisatie (opvoeding)
Reguleren van seksuele activiteiten (recht op seksuele omgang)
Sociale positionering/erfelijkheid. De positie op de sociale ladder
Materiele en emotionele zekerheid (gezamenlijke huishouding en affectieve binding
De rationele keuzetheorie:
- Huwelijksmarkt als ruilhandel (traditioneel: kinderen, moeder en inkomen)
Conflictsociologie → sociale ongelijkheid en het gezin
Bezitten nalatenschap
Patriarchaat (controleren van seksualiteit van vrouwen, de man is dominant
Etniciteit en ras (sociale positie) wordt in stand gehouden. Er zijn minder gemengde
huwelijken
Fasen van gezinsleven
1. Flirten en romantische liefde (onderzoeken)
2. Gaan trouwen/samenwonen
4
, 3. Kinderen grootbrengen
4. Gezin op oudere leeftijd (lege nest syndroom)
Echtscheiding
Individualisme: toenamen echtscheidingen en vrouwen worden meer inkomensafhankelijk
Emotionele band verbleekt
Economische onafhankelijkheid van vrouwen
Spanningen zoals voedingspanningen, carrière en financiële problemen
Andere alternatieve gezinsvormen
Samenwonen
Vaak tijdelijk: later trouwen of uit elkaar gaan
Samen met weinig verplichtingen: ontmoedigd huwelijk
Financiële consequenties bij uit elkaar gaan
Homoseksuele paren
Adoptie of ouderschap niet overal goedgeregeld
Homoacceptatie: homehuwelijk, geregistreerd partnerschap of bij wet onmogelijk
Alleenwonenden
Tijdelijk of als levenswijze
Een toegenomen aantal alleenstaande vrouwen
Down daten: relatie aangaan met iemand uit een lagere sociale klasse
Kennisclip: seksualiteit
Sekse: biologisch
Gender: sociaal cultureel
Biologisch is aangeboren seksuele aantrekkingskracht, behoefte aan voorplanting en genitale
organen etc.
Het maatschappelijke komt uit omgangnormen, gebruiken en opvattingen wat geaccepteerd,
seks, gezond is.
Je hebt:
Interseksuelen (hemafrodieten, vrouw/man en geslachtskenmerken)
Een transgender is een persoon in een verkeerd lichaam
Genderneutraal
Seksuele oriëntatie
Heteroseksuelen
Homoseksuelen
Biseksuelen
5