P1.04 – Leerpsychologie
Samenvatting
Hoofdstuk 2 – Hoe onze hersenen werken en zich ontwikkelen
Kernvragen :
- De centrale vraag van dit hoofdstuk is; hoe onze hersenen functioneren en
zich ontwikkelen ?
- Hoe verloopt globaal gezien de ontwikkeling van onze hersenen ?
- Zijn er periodes in ons leven waarin onze hersenen zich veel en snel
ontwikkelen ?
- Zijn er periodes waarin dit juist niet het geval is ?
- Hoe kunnen we het functioneren en de ontwikkeling van onze eigen
hersenen en die van anderen positief beïnvloeden ?
- Wat is in dat kader bekend over positieve invloeden op de ontwikkeling
van onze hersenen en wat zijn potentiële bedreigingen voor de
ontwikkeling van onze hersenen ?
Samenvatting : antwoorden op de centrale vragen
Wat betreft het functioneren en ontwikkelen van onze hersenen kunnen we
zeggen dat drie invloeden daarbij een rol spelen;
- De erfelijke aanleg van een persoon
- De invloeden vanuit de omgeving waarin hij opgroeit en functioneert
- De mate waarin hij bepaalde hersendelen oefent
Het aantal neuronen dat wij bij onze geboorte hebben, wordt geheel bepaald
door onze erfelijke aanleg. Ook de aanmaak van synapsen in met name de eerste
twee levensjaren verloopt over het algemeen automatisch en onder invloed van
de erfelijke aanleg
Al vanaf de geboorte zijn onze hersenen net een spons; ze zuigen alle informatie
op die wordt aangereikt en passen hun functioneren daaraan aan. Dit wordt de
plasticiteit van de hersenen genoemd en in principe is dit ook een kenmerk van
de aanleg. Hoeveel en welke informatie de hersenen krijgen is een
omgevingskenmerk en ook afhankelijk van eigen oefening. Deze informatie en de
oefening beïnvloeden welke synapsen blijven bestaan en welke verdwijnen. Dat
proces wordt pruning genoemd.
Het functioneren van de hersenen is afhankelijk van onze leeftijd. Tijdens de
zwangerschap worden de meeste neuronen al aangemaakt; ook na de geboorte
ontstaan er nog nieuwe neuronen, maar in een veel geringere hoeveelheid. Het
aanmaken van synapsen tussen neuronen heeft al meermalen tijdens de
zwangerschap plaatsgevonden, maar dit neemt in de eerste levensjaren toe.
Vanaf de geboorte maar vooral vanaf de tweede verjaardag neemt het aantal
verbindingen tussen neuronen af op grond van opgedane ervaringen. Door dit
proces van pruning neemt de sterkte van synapsen die blijven bestaan juist toe.
In het begin van de puberteit is er ook nog een periode waarin vooral in de
frontaalkwab eerst het aantal verbindingen toeneemt en later weer afneemt
vanwege de pruningsprocessen. Mede om deze reden is de puberteit een
kwetsbare periode in de ontwikkeling van onze hersenen.
Samenvatting
Hoofdstuk 2 – Hoe onze hersenen werken en zich ontwikkelen
Kernvragen :
- De centrale vraag van dit hoofdstuk is; hoe onze hersenen functioneren en
zich ontwikkelen ?
- Hoe verloopt globaal gezien de ontwikkeling van onze hersenen ?
- Zijn er periodes in ons leven waarin onze hersenen zich veel en snel
ontwikkelen ?
- Zijn er periodes waarin dit juist niet het geval is ?
- Hoe kunnen we het functioneren en de ontwikkeling van onze eigen
hersenen en die van anderen positief beïnvloeden ?
- Wat is in dat kader bekend over positieve invloeden op de ontwikkeling
van onze hersenen en wat zijn potentiële bedreigingen voor de
ontwikkeling van onze hersenen ?
Samenvatting : antwoorden op de centrale vragen
Wat betreft het functioneren en ontwikkelen van onze hersenen kunnen we
zeggen dat drie invloeden daarbij een rol spelen;
- De erfelijke aanleg van een persoon
- De invloeden vanuit de omgeving waarin hij opgroeit en functioneert
- De mate waarin hij bepaalde hersendelen oefent
Het aantal neuronen dat wij bij onze geboorte hebben, wordt geheel bepaald
door onze erfelijke aanleg. Ook de aanmaak van synapsen in met name de eerste
twee levensjaren verloopt over het algemeen automatisch en onder invloed van
de erfelijke aanleg
Al vanaf de geboorte zijn onze hersenen net een spons; ze zuigen alle informatie
op die wordt aangereikt en passen hun functioneren daaraan aan. Dit wordt de
plasticiteit van de hersenen genoemd en in principe is dit ook een kenmerk van
de aanleg. Hoeveel en welke informatie de hersenen krijgen is een
omgevingskenmerk en ook afhankelijk van eigen oefening. Deze informatie en de
oefening beïnvloeden welke synapsen blijven bestaan en welke verdwijnen. Dat
proces wordt pruning genoemd.
Het functioneren van de hersenen is afhankelijk van onze leeftijd. Tijdens de
zwangerschap worden de meeste neuronen al aangemaakt; ook na de geboorte
ontstaan er nog nieuwe neuronen, maar in een veel geringere hoeveelheid. Het
aanmaken van synapsen tussen neuronen heeft al meermalen tijdens de
zwangerschap plaatsgevonden, maar dit neemt in de eerste levensjaren toe.
Vanaf de geboorte maar vooral vanaf de tweede verjaardag neemt het aantal
verbindingen tussen neuronen af op grond van opgedane ervaringen. Door dit
proces van pruning neemt de sterkte van synapsen die blijven bestaan juist toe.
In het begin van de puberteit is er ook nog een periode waarin vooral in de
frontaalkwab eerst het aantal verbindingen toeneemt en later weer afneemt
vanwege de pruningsprocessen. Mede om deze reden is de puberteit een
kwetsbare periode in de ontwikkeling van onze hersenen.