K2.01 – verdiepen in vakdidactiek
OJW – Natuur en Techniek
Hoofdstuk 4 – Ecologie en duurzaamheid
34.1 Samenhang in ecosystemen
4.1.1 Wat is een ecosysteem?
Ieder levend wezen is afhankelijk van zijn omgeving. De levende organismen (biotische
factoren) en de factoren uit de levenloze natuur (abiotische factoren) met elkaar
samenhangen en elkaar beïnvloeden. Het samenhangende geheel van abiotische en
biotische factoren in een bepaald gebied noem je een ecosysteem.
Een ecosysteem heeft kenmerkende biotische en abiotische factoren, en je kunt het als een
bepaalde eenheid bestuderen. Een ecosysteem kan verschillend van grootte zijn.
Karakteristieke ecosystemen worden biotopen genoemd; gebieden met een uniform
landschapstype waarbij klimaat en geografische omstandigheden hetzelfde zijn. Binnen een
biotoop zijn weer specifieke leefgebieden voor organismen te onderscheiden. De
verschillende ecosystemen leiden geen geïsoleerd bestaan. Abiotische en/of biotische
factoren uit het ene ecosysteem kunnen ook een ander ecosysteem beïnvloeden. Zo kunnen
ecosystemen en de daarmee samenhangende biodiversiteit veranderen omdat abiotische en
biotische factoren veranderen en er telkens weer een nieuwe wisselwerking tussen deze
factoren ontstaat. De tak van de biologie die zich bezighoudt met de wisselwerking die
levende organismen hebben met elkaar en met hun omgeving, heet ecologie.
Biodiversiteit omvat de verscheidenheid aan leven in een bepaald gebied. Biodiversiteit kan
gaan over alle planten, dieren en micro-organismen en over de ecosystemen die ze samen
vormen.
4.1.2 Voedselrelaties in een ecosysteem
In een ecosysteem kunnen organismen op verschillende manieren beïnvloeden. Planten
vormen de eerste schakel in een voedselketen. Planten produceren door fotosynthese hun
eigen voedsel en worden daarom producenten genoemd. Dieren zijn niet in staat om hun
eigen voedsel te produceren en moeten andere organismen consumeren om aan hun
energie en voedingsstoffen te komen. Een dier kan een planteneter, een vleeseter of een
alleseter zijn. Dit bepaalt de plaats die het dier inneemt in een voedselketen. Als er in een
ecosysteem vleeseters voorkomen die zelf weer andere vleeseters eten, kan een
voedselketen uit meer dan drie schakels bestaan. De laatste schakel in een voedselketen
wordt een toppredator genoemd. In een ecosysteem zijn talloze voedselketens te
onderscheiden, die onderling met elkaar verweven zijn. Dit netwerk van onderling
geschakelde voedselketens noem je een voedselweb.
In een ecosysteem zijn de producenten, plantenters, vleeseters en toppredators niet
evenredig verdeeld. De voedselverdeling in een ecosysteem kun je daarom goed weergeven
in een piramidevorm met verschillende niveaus; de voedselpiramide. De basis van de
voedselpiramide bestaat uit alle producenten van het ecosysteem, het tweede voedselniveau
bestaat uit alle planteneters, het derde voedselniveau uit de vleeseters, en het vierde uit de
toppredatoren.
4.1.3 De energiestroom in een ecosysteem
Tussen de verschillende voedselniveaus in een voedselpiramide worden energie en
voedingsstoffen doorgegeven. Ook gaat er veel energie verloren, en dat begint al bij de
producenten. Zij leggen zonne-energie vast in de vorm van energierijke suikers, maar ze
verbruiken zelf ook weer een deel van deze energie bij hun groei. De hoeveelheid energie
die vastgelegd is in de weefsels van planten komt maar voor een deel bij de planteneters
terecht.
Op deze manier kom er telkens maar zo’n tien procent van de vastgelegde energie in het
volgende voedselniveau van de voedselpiramide terecht. Aan de basis vind je de meest
OJW – Natuur en Techniek
Hoofdstuk 4 – Ecologie en duurzaamheid
34.1 Samenhang in ecosystemen
4.1.1 Wat is een ecosysteem?
Ieder levend wezen is afhankelijk van zijn omgeving. De levende organismen (biotische
factoren) en de factoren uit de levenloze natuur (abiotische factoren) met elkaar
samenhangen en elkaar beïnvloeden. Het samenhangende geheel van abiotische en
biotische factoren in een bepaald gebied noem je een ecosysteem.
Een ecosysteem heeft kenmerkende biotische en abiotische factoren, en je kunt het als een
bepaalde eenheid bestuderen. Een ecosysteem kan verschillend van grootte zijn.
Karakteristieke ecosystemen worden biotopen genoemd; gebieden met een uniform
landschapstype waarbij klimaat en geografische omstandigheden hetzelfde zijn. Binnen een
biotoop zijn weer specifieke leefgebieden voor organismen te onderscheiden. De
verschillende ecosystemen leiden geen geïsoleerd bestaan. Abiotische en/of biotische
factoren uit het ene ecosysteem kunnen ook een ander ecosysteem beïnvloeden. Zo kunnen
ecosystemen en de daarmee samenhangende biodiversiteit veranderen omdat abiotische en
biotische factoren veranderen en er telkens weer een nieuwe wisselwerking tussen deze
factoren ontstaat. De tak van de biologie die zich bezighoudt met de wisselwerking die
levende organismen hebben met elkaar en met hun omgeving, heet ecologie.
Biodiversiteit omvat de verscheidenheid aan leven in een bepaald gebied. Biodiversiteit kan
gaan over alle planten, dieren en micro-organismen en over de ecosystemen die ze samen
vormen.
4.1.2 Voedselrelaties in een ecosysteem
In een ecosysteem kunnen organismen op verschillende manieren beïnvloeden. Planten
vormen de eerste schakel in een voedselketen. Planten produceren door fotosynthese hun
eigen voedsel en worden daarom producenten genoemd. Dieren zijn niet in staat om hun
eigen voedsel te produceren en moeten andere organismen consumeren om aan hun
energie en voedingsstoffen te komen. Een dier kan een planteneter, een vleeseter of een
alleseter zijn. Dit bepaalt de plaats die het dier inneemt in een voedselketen. Als er in een
ecosysteem vleeseters voorkomen die zelf weer andere vleeseters eten, kan een
voedselketen uit meer dan drie schakels bestaan. De laatste schakel in een voedselketen
wordt een toppredator genoemd. In een ecosysteem zijn talloze voedselketens te
onderscheiden, die onderling met elkaar verweven zijn. Dit netwerk van onderling
geschakelde voedselketens noem je een voedselweb.
In een ecosysteem zijn de producenten, plantenters, vleeseters en toppredators niet
evenredig verdeeld. De voedselverdeling in een ecosysteem kun je daarom goed weergeven
in een piramidevorm met verschillende niveaus; de voedselpiramide. De basis van de
voedselpiramide bestaat uit alle producenten van het ecosysteem, het tweede voedselniveau
bestaat uit alle planteneters, het derde voedselniveau uit de vleeseters, en het vierde uit de
toppredatoren.
4.1.3 De energiestroom in een ecosysteem
Tussen de verschillende voedselniveaus in een voedselpiramide worden energie en
voedingsstoffen doorgegeven. Ook gaat er veel energie verloren, en dat begint al bij de
producenten. Zij leggen zonne-energie vast in de vorm van energierijke suikers, maar ze
verbruiken zelf ook weer een deel van deze energie bij hun groei. De hoeveelheid energie
die vastgelegd is in de weefsels van planten komt maar voor een deel bij de planteneters
terecht.
Op deze manier kom er telkens maar zo’n tien procent van de vastgelegde energie in het
volgende voedselniveau van de voedselpiramide terecht. Aan de basis vind je de meest