Syllabus – Veterinaire farmacologie EBC
Farmacologie – wisselwerking tussen een levend organisme en de onderzochte stof.
Klinische farmacologie – onderzochte stof in levend en ziek dier.
Farmacotherapie – patiënt behandelen met het geneesmiddel.
Farmacodynamiek – wat doet de stof met het lichaam, de juiste werking.
Farmacokinetiek – wat doet het lichaam met de stof, bereiken van de plaats.
Hoofdstuk 1 – Toedieningswijze en opmame
Causale therapie – geneesmiddel neemt de oorzaak weg.
Symptomatische therapie – symptomen bestrijden, pijnbestrijding.
Substitutie therapie – deficiënties gecompenseerd, diabeet krijgt insuline.
Iatrogene aandoening – als het farmacon/arts de ziekte veroorzaakt.
Geneesmiddelen bestaan uit een werkende stof (farmacon) en hulpstoffen (vloeistof,
poeders) die zorgen voor optimale toediening (mg/kg l.g.)
De toedieningswijze hangt af van de fysisch-chemische eigenschappen van het farmacon, die
de absorptie en distributie bepalen:
- oplosbaarheid in water (hydrofiliteit of lipofiliteit);
- zure of basische karakter van het farmacon (pKa);
- stabiliteit van pH waarden (carnivoor lage pH in de maag).
Ook per diersoort is er verschil in toedieningswijze bv. Herkauwer niet snel oraal, omdat
micro-organismen in de pens het farmacon verstoren.
Systemisch Lokaal-topicaal
Enteraal
- oraal/per os PO cutaan/dermaal
- rectaal intracutaan
conjunctivaal
Parenteraal
- intraveneus IV intravaginaal
- intra-arterieël IA intra-uterien IU
- intramusculair IM intramammair IM
- subcutaan SC
- intraperitoneaal IP epiduraal
Inhalatie PI intra-articulair i.art
- intranasaal (in gewricht)
Systemische toediening (IM, SC, PO ect.) gaan van plaats van toediening via absorptie de
systematische circulatie in, waarna ze naar de plaats van werking gaan. Het farmacon moet
dan door celmembranen en weefselstructuren heen. Dit gebeurt door: (z.o.z.)
1
,Syllabus – Veterinaire farmacologie EBC
1. Passieve diffusie
De meeste farmaca gebruiken dit, met de concentratiegradiënt als drijvende kracht.
De diffusiesnelheid (V) wordt bepaald met de wet van Fick:
V = P x O x (C1-C2) V = diffusiesnelheid (mol/s)
P = permeabiliteit voor het farmacon (m/s)
O = oppervlakte van het membraan (m2)
C1/C2 = concentraties farmacon per plaats (mol/m3)
Permeabiliteit (P) wordt bepaald door membraan en farmacon eigenschappen. Hydrofiele
stoffen kunnen niet passief over het membraan, lipofiele stoffen hopen zich juist op in het
membraan, beide verlagen de diffusie snelheid.
Log(Poct) of Log(Kow) is de grootheid voor lipofiliteit, staat voor het logaritme octanol-water
partitiecoëfficient. Hoe hoger deze is, hoe lipofieler de stof.
Log(Poct) = 0 -> evenveel in de waterfase (darmlumen) als in de lipofiele fase (darmwand).
Log(Poct) = 3 -> concentratie in evenwicht bij 1000:1
oraal vaak 2<log(Poct)<3 > 3 geeft sterk lipofiel
V is afhankelijk van: - membraan permeabiliteit (P);
- lipofiliteit van het farmacon (lading en polariteit);
- resorptie oppervlakte en doorbloeding;
- concentratiegradiënt van het farmacon over het membraan.
Passieve diffusie van zuren en basen
Farmaca zijn zwakke zuren of basen die dissociëren. Dat is afhankelijk van:
- pH in het bloed of weefsel
- sterkte van het zuur of de base (pKa-waarde)
Gedissocieerd zijn ze geladen en kunnen ze niet over het plasmamembraan.
pKa = pH + log[AH]/[A-] AH = ongedissocieerd zuur A- = gedissocieerd zuur
pKa = pH + log[B+]/[BOH] B+ = gedissocieerde base BOH = ongedissocieerde base
De mate van dissociatie bepaald de absorptie, distributie en excretie. Zure urine geeft snelle
excretie van zwakke basen die dan gedissocieerd zijn en alkalische urine geeft snelle excretie
van zwakke zuren die dan gedissocieerd zijn (ion trapping).
2. Membraantransport via carriers
Farmaca gebruiken lichaamseigen transporters in de: maag, darmstelsel, niertubuli, BHB en
de galwegen.
a) gefaciliteerde diffusie: carrier afhankelijk transport met de concentratiegradiënt mee;
b) actief transport: carrier afhankelijk transport tegen de concentratiegradiënt in (ATP).
Eigenschappen: - eiwitmoleculen of –molecuul complexen in het membraan;
- gelimiteerd in aantal -> beperkte maximale transportsnelheid en transport
capaciteit -> competitie als meerdere liganden dezelfde gebruiken;
- selectief, dus alleen moleculen met herkenbare chemische structuur.
2
, Syllabus – Veterinaire farmacologie EBC
3. Efflux transporters
Pompen zeer selectief bepaalde stoffen de cel weer uit zodra deze erin komen en voorkomt
verder transport. Het zijn ABC-transporters (ATP-binding cassette transporters) en meest
bestudeerd is P-glycoproteïne (Pgp). Deze eiwitten zitten op enterocyten, hepatocyten,
niertubuli en endotheel cellen van de BHB, bloed-placenta- en bloed-melk-barrière.
Biologische beschikbaarheid (F) is de fractie van het farmacon dat na toediening
onveranderd in de systemische circulatie komt en erna verdeeld wordt om de plaats van
werking te bereiken. Deze wordt bepaald door de toedieningswijze en door absorptie en
afbraak in de lever en darm.
Het wordt beïnvloed door de fysisch-chemische eigenschappen van het farmacon, de
farmaceutische vorm (oplosbaarheid op toedieningsplaats), fysiologische factoren en de
mate van biotransformatie bij de first-pass-effect (darmwand en lever passage).
Fabs IV – gelijk aan 100%
Fabs (X) = AUCx/AUCiv x Dosisiv/Dosisx x 100%
X = oraal, IP, IM ect. AUC = aera under curve
Als de stof niet IV kan worden toegediend, moeten andere vormen vergeleken worden:
Frel = AUCPO/AUCSC x DosisSC/DosisPO x 100%
Biologisch gelijkwaardige stoffen hebben
dezelfde AUC, maar kunnen verschillen in
absorptiesnelheid. Ze hebben dan ook dezelfde
werking.
Figuur: plasmaconcentratie-tijd-curven
Per toedieningsvorm zijn er voor en nadelen.
Oraal + stoffen door de darm opgenomen
+ makkelijk door eigenaar te doen
- braken, slikproblemen of maagproblemen, maken toedienen niet mogelijk
rectaal + als door braken ect. niet oraal kan
+ omzeild de lever (first-pass-effect)
- alleen door dierenarts toegepast worden
IM en SC + niet gecompliceerd
- irritatie, weefselschade en neerslagvorming, dan IMM of IU
3
Farmacologie – wisselwerking tussen een levend organisme en de onderzochte stof.
Klinische farmacologie – onderzochte stof in levend en ziek dier.
Farmacotherapie – patiënt behandelen met het geneesmiddel.
Farmacodynamiek – wat doet de stof met het lichaam, de juiste werking.
Farmacokinetiek – wat doet het lichaam met de stof, bereiken van de plaats.
Hoofdstuk 1 – Toedieningswijze en opmame
Causale therapie – geneesmiddel neemt de oorzaak weg.
Symptomatische therapie – symptomen bestrijden, pijnbestrijding.
Substitutie therapie – deficiënties gecompenseerd, diabeet krijgt insuline.
Iatrogene aandoening – als het farmacon/arts de ziekte veroorzaakt.
Geneesmiddelen bestaan uit een werkende stof (farmacon) en hulpstoffen (vloeistof,
poeders) die zorgen voor optimale toediening (mg/kg l.g.)
De toedieningswijze hangt af van de fysisch-chemische eigenschappen van het farmacon, die
de absorptie en distributie bepalen:
- oplosbaarheid in water (hydrofiliteit of lipofiliteit);
- zure of basische karakter van het farmacon (pKa);
- stabiliteit van pH waarden (carnivoor lage pH in de maag).
Ook per diersoort is er verschil in toedieningswijze bv. Herkauwer niet snel oraal, omdat
micro-organismen in de pens het farmacon verstoren.
Systemisch Lokaal-topicaal
Enteraal
- oraal/per os PO cutaan/dermaal
- rectaal intracutaan
conjunctivaal
Parenteraal
- intraveneus IV intravaginaal
- intra-arterieël IA intra-uterien IU
- intramusculair IM intramammair IM
- subcutaan SC
- intraperitoneaal IP epiduraal
Inhalatie PI intra-articulair i.art
- intranasaal (in gewricht)
Systemische toediening (IM, SC, PO ect.) gaan van plaats van toediening via absorptie de
systematische circulatie in, waarna ze naar de plaats van werking gaan. Het farmacon moet
dan door celmembranen en weefselstructuren heen. Dit gebeurt door: (z.o.z.)
1
,Syllabus – Veterinaire farmacologie EBC
1. Passieve diffusie
De meeste farmaca gebruiken dit, met de concentratiegradiënt als drijvende kracht.
De diffusiesnelheid (V) wordt bepaald met de wet van Fick:
V = P x O x (C1-C2) V = diffusiesnelheid (mol/s)
P = permeabiliteit voor het farmacon (m/s)
O = oppervlakte van het membraan (m2)
C1/C2 = concentraties farmacon per plaats (mol/m3)
Permeabiliteit (P) wordt bepaald door membraan en farmacon eigenschappen. Hydrofiele
stoffen kunnen niet passief over het membraan, lipofiele stoffen hopen zich juist op in het
membraan, beide verlagen de diffusie snelheid.
Log(Poct) of Log(Kow) is de grootheid voor lipofiliteit, staat voor het logaritme octanol-water
partitiecoëfficient. Hoe hoger deze is, hoe lipofieler de stof.
Log(Poct) = 0 -> evenveel in de waterfase (darmlumen) als in de lipofiele fase (darmwand).
Log(Poct) = 3 -> concentratie in evenwicht bij 1000:1
oraal vaak 2<log(Poct)<3 > 3 geeft sterk lipofiel
V is afhankelijk van: - membraan permeabiliteit (P);
- lipofiliteit van het farmacon (lading en polariteit);
- resorptie oppervlakte en doorbloeding;
- concentratiegradiënt van het farmacon over het membraan.
Passieve diffusie van zuren en basen
Farmaca zijn zwakke zuren of basen die dissociëren. Dat is afhankelijk van:
- pH in het bloed of weefsel
- sterkte van het zuur of de base (pKa-waarde)
Gedissocieerd zijn ze geladen en kunnen ze niet over het plasmamembraan.
pKa = pH + log[AH]/[A-] AH = ongedissocieerd zuur A- = gedissocieerd zuur
pKa = pH + log[B+]/[BOH] B+ = gedissocieerde base BOH = ongedissocieerde base
De mate van dissociatie bepaald de absorptie, distributie en excretie. Zure urine geeft snelle
excretie van zwakke basen die dan gedissocieerd zijn en alkalische urine geeft snelle excretie
van zwakke zuren die dan gedissocieerd zijn (ion trapping).
2. Membraantransport via carriers
Farmaca gebruiken lichaamseigen transporters in de: maag, darmstelsel, niertubuli, BHB en
de galwegen.
a) gefaciliteerde diffusie: carrier afhankelijk transport met de concentratiegradiënt mee;
b) actief transport: carrier afhankelijk transport tegen de concentratiegradiënt in (ATP).
Eigenschappen: - eiwitmoleculen of –molecuul complexen in het membraan;
- gelimiteerd in aantal -> beperkte maximale transportsnelheid en transport
capaciteit -> competitie als meerdere liganden dezelfde gebruiken;
- selectief, dus alleen moleculen met herkenbare chemische structuur.
2
, Syllabus – Veterinaire farmacologie EBC
3. Efflux transporters
Pompen zeer selectief bepaalde stoffen de cel weer uit zodra deze erin komen en voorkomt
verder transport. Het zijn ABC-transporters (ATP-binding cassette transporters) en meest
bestudeerd is P-glycoproteïne (Pgp). Deze eiwitten zitten op enterocyten, hepatocyten,
niertubuli en endotheel cellen van de BHB, bloed-placenta- en bloed-melk-barrière.
Biologische beschikbaarheid (F) is de fractie van het farmacon dat na toediening
onveranderd in de systemische circulatie komt en erna verdeeld wordt om de plaats van
werking te bereiken. Deze wordt bepaald door de toedieningswijze en door absorptie en
afbraak in de lever en darm.
Het wordt beïnvloed door de fysisch-chemische eigenschappen van het farmacon, de
farmaceutische vorm (oplosbaarheid op toedieningsplaats), fysiologische factoren en de
mate van biotransformatie bij de first-pass-effect (darmwand en lever passage).
Fabs IV – gelijk aan 100%
Fabs (X) = AUCx/AUCiv x Dosisiv/Dosisx x 100%
X = oraal, IP, IM ect. AUC = aera under curve
Als de stof niet IV kan worden toegediend, moeten andere vormen vergeleken worden:
Frel = AUCPO/AUCSC x DosisSC/DosisPO x 100%
Biologisch gelijkwaardige stoffen hebben
dezelfde AUC, maar kunnen verschillen in
absorptiesnelheid. Ze hebben dan ook dezelfde
werking.
Figuur: plasmaconcentratie-tijd-curven
Per toedieningsvorm zijn er voor en nadelen.
Oraal + stoffen door de darm opgenomen
+ makkelijk door eigenaar te doen
- braken, slikproblemen of maagproblemen, maken toedienen niet mogelijk
rectaal + als door braken ect. niet oraal kan
+ omzeild de lever (first-pass-effect)
- alleen door dierenarts toegepast worden
IM en SC + niet gecompliceerd
- irritatie, weefselschade en neerslagvorming, dan IMM of IU
3