Hoofdstuk 1
Politiek = Het maken van regels en het nemen van besluiten over een land, provincie
of een gemeente.
Politici = Ze vertegenwoordigen de bevolking bij het nemen van politieke besluiten.
Politieke besluitvorming = De manier waarop de politici besluiten neemt.
Ambtenaren = Mensen die voor de overheid werken.
Overheid = Alle politici en ambtenaren bij elkaar.
Overheidsbeleid = Het geheel van wettelijke regels en afspraken.
Politieke macht = Mensen die besluiten nemen en waar iedereen van gevolgen
merkt.
Volksvertegenwoordigers = Mensen die het land besturen.
Maatschappelijk probleem;
● Het is een sociaal probleem, veel mensen hebben er mee te maken.
● Er zijn verschillende meningen over de oplossing van het probleem.
● Veel aandacht op media.
● De overheid bemoeit zich ermee.
Normen = Regels waar iedereen zich aan moet houden.
Waarden = Dingen die belangrijk zijn voor jou in je leven.
Belang = Het voordeel dat je ergens van hebt.
Belangstelling = Het belang van de ene botst met het belang van de ander.
Macht = De mogelijkheid om het gedrag van een ander te beïnvloeden.
Machtsmiddelen = Middelen waarmee je het gedrag van een ander kunt
beïnvloeden. (geld, beroep,kennis, overtuigingskracht en aanzien)
Macht van het getal = 1 persoon heeft minder macht maar 10 personen hebben bij
elkaar meer macht.
Politieke agenda = Onderwerpen waarover politici voortdurend met elkaar praten.
(milieuvervuiling, discriminatie en werkloosheid)
Dilemma = Een lastige keuze tussen 2 dingen die allebei voor en nadelen hebben.
, Hoofdstuk 2
Rechtsstaat = Een land waar de rechten en plichten van de burgers en van de
overheid zijn vastgelegd.
Kenmerken van een rechtsstaat =
● Grondwet = De belangrijkste rechten en plichten van de burgers staan daar
precies in geschreven.
● Grondrechten = De belangrijkste rechten die in de samenleving gelden, staan
in de grondwet.
● Artikel 1 van de grondwet = Allen die zich in Nederland bevinden worden in
gelijke gevallen gelijk behandeld.
● Rechtsbescherming = Burgers worden beschermd tegen een te grote
overheidsmacht en tegen willekeur door de overheid.
● Rechterlijke Macht = Een rechter kan ook iets beslissen tegen een minister of
een ander bestuur.
● Democratie = Het volk heeft het macht.
Recht = Wat je mag doen en waar je recht op hebt.
Plicht = Wat je moet doen.
Parlementaire democratie = De burgers kiezen volksvertegenwoordigers en die
vormen samen het parlement.
Kenmerken van een parlementaire democratie:
● Algemene kiesrecht.
● Parlement = 1e en 2e kamer.
● Meerderheid van de stemmen.
● Grondwet.
● Trias politica = De scheiding van politieke macht in 3 onderdelen.
Verdeling van politieke macht (trias politica):
● Wetgevende macht = Stelt wetten vast waaraan burger en de overheid zich
aan moeten houden. De regering (minister en koning) en het parlement (1e
en 2e kamer)
● Uitvoerende macht = Zorgt ervoor dat eenmaal goedgekeurde wetten worden
uitgevoerd. Regering (minister en koning)
● Rechterlijke macht = Beoordeelt of wetten goed worden nageleefd en doet
uitspraken in conflicten. Rechters
Dictatuur = De macht ligt bij 1 persoon.
Censuur = De machthebbers controleren vooraf berichten van journalisten.