Deel 1 Bedrijfseconomie en onderneming
Hoofdstuk 1 Ondernemingen en hun functie in de economie
Economie
Productiehuishouding = bedrijf
Economische wetenschap = kijken welvaart
Algemene economie = kijken relatie consument, producent, overheid en het buitenland
Micro-economie = kijken prijsvorming
Macro-economie = kijken problemen maatschappij
Deductie = van algemeen naar bijzonder
Bedrijfseconomie
Economisch handelen/functioneren binnen bedrijven
Bestaansrecht van onderneming
Elke onderneming is een bedrijf, maar niet elk bedrijf is een onderneming. Dit omdat niet elk bedrijf
een productieorganisatie is.
Hoofdstuk 4 Financiële overzichten
4.1. Investering en financiering
Activa= productiemiddelen waarin een onderneming heeft geïnvesteerd
o Vaste activa = bewijzen langer dan een jaar diensten (bijvoorbeeld bedrijfsterrein)
o Vlottende activa = productiemiddelen die ontstaan en tenietgaan binnen een jaar
Vermogen= financiering
o Eigenvermogen = onbepaalde tijd, eigenaren, vergoeding afhankelijk van winst en
risicodragend.
Er worden geen afspraken gemaakt over terugbetaling.
o Vreemd vermogen = bepaalde tijd, schuldeisers, vaste vergoeding en risicomijdend
Ontvangsten Opbrengsten Verschil op balans
Verkopen Ontvangst Opbrengst Debiteuren
Duurzame productie- Uitgave (aanschaf) Kosten (afschrijvingen) Boekwaarde vaste
middelen activa
Lening Ontvangst Kosten (rente) Vreemd vermogen
(Leningsbedrag)
Uitgave aflossing,
rente
Voorzieningen kosten
4.4 Afschrijvingsmethode
Afschrijvingsbedrag= aanschafprijs – verkoopwaarde
, Lineair= afschrijvingsbedrag: aantal jaar
Sum-of-the-year-digitsmethode= alle wegingsfactoren bij elkaar optellen. Wegingsfactor
jaar/wegingsfactor totaal * afschrijvingsbedrag
Boekwaardemethode
o Lineaire/ aanschafprijs * 100% * boekwaarde= percentage X
o Percentage X van aanschafprijs = boekwaarde eind jaar 1
o Percentage X van jaar 1= Boekwaarde eind jaar 2 enz.
‘’In welk geval is zowel sprake van kosten als van uitgaven?’’ het overmaken van de maandelijkse
salarissen
Deel 2 Financiering
Hoofdstuk 6 Investeringsprojecten
Het analyseren van investeringsalternatieven en het kiezen van de alternatieven die worden
uitgevoerd.
Investeren
Het vastleggen van vermogen in activa. Het investeringsvraagstuk houdt zich dus bezig met
de keuze van de omvang en de samenstelling van de activa waarin het vermogen van de
onderneming wordt geïnvesteerd. Nieuwe investeringsplannen moeten op haalbaarheid en
rentabiliteit worden onderzocht. De financiering van deze plannen blijft buiten beschouwing.
Om te kunnen beoordelen of een bepaalde investering in vaste activa zinvol is, moeten we
rekening houden met alle daar nog bij komende investeringen in ermee samenhangende
activa. Een investeringsproject is het geheel van investeringen in bij elkaar behorende
duurzame en vlottende activa
Investeringsproject is bijvoorbeeld het opzetten van een verkoopafdeling
Vrije kasstroom
Het verschil tussen de bruto-ontvangsten uit hoofde van de verkoop van producten en de
uitgaven i.v.m. de aanschaf en aanwending van productiemiddelen in een bepaalde periode.
Vrije kasstroom= Periodewinst na de belasting + afschrijvingen- investeringen +
desinvesteringen
Afschrijvingen zijn wel kosten maar geen uitgave
(des)investeringen zijn wel uitgaven/ontvangsten maar geen kosten/opbrengsten
Periodewinst
Winst over een bepaalde periode
Periodewinst= Opbrengsten – kosten
Marginale belastingvoet
Belasting die betaald wordt over de extra behaalde projectwinst.
Intrestberekeningen
Enkelvoudige intrest
o Steeds berekend over het oorspronkelijke bedrag
o EI= bedrag+ (aantal jaar * percentage * 1000)