Hoe ga je om met kinderen op school?
H1 Zelfbeeld: een theoretisch kader
1.1 Een goede relatie
Een goede relatie vormt de basis voor een goed functionerende leerling en
effectief onderwijs. Elke leraar wil dat de ruimte voor leren en doceren zo groot
mogelijk is. Een goede relatie draagt daar op vele manieren bij;
- Als de relatie goed is, zijn de kinderen bereid de verzoeken (opdrachten, regels)
te accepteren.
- Binnen een goede relatie voelt het kind zich veilig.
- Als een kind weet dat er een goede relatie is, zou die dat niet zomaar op het
spel zetten.
- Binnen een goede relatie durft een kind te laten zien dat hij een probleem heeft.
- Niet altijd pak je het probleem van een leerling op de juiste wijze aan.
Wat zijn de bouwstenen van een relatie tussen leraar en leerling die ervoor
zorgen dat er optimaal les kan worden gegeven en geleerd? Volgens Stevens
moeten de kinderen zichzelf kunnen zijn, en dat de school uitzicht biedt op de
ontwikkeling. Een goede relatie kent 3 elementen ->
Acceptatie (het accepteren van het kind zoals die is), Ondersteuning,
Betrokkenheid (aangaan van een relatie met het kind). Het opbouwen en in stand
houden van een goede relatie vraagt gerichte inzet van de leraar. De leraar moet
inzicht hebben over het zelfbeeld van een kind.
1.2 Een goede relatie en zicht op het zelfbeeld
Het zelfbeeld van een kind kan invloed hebben op de prestaties. Kennis van het
zelfbeeld stelt een leraar in staat het beeld dat een kind van zichzelf heeft zo
nodig positief te beïnvloeden. Wanneer een leraar te weinig zicht heeft op het
zelfbeeld van een kind kan hierdoor de relatie stukgaan, een kind krijgt een nog
negatiever zelfbeeld.
1.3 Het zelfbeeld: een begripsbepaling
Het zelfbeeld in historisch perspectief
De mens wat tot aan de renaissance dienstbaar aan god en de gemeenschap. In
1500 begon hier verandering in te komen. Er werd geleidelijk plaats gemaakt
voor een wereldbeeld waarin de mens centraal staat. Vanaf eind 1900 komt de
mens als individu te staan -> individualisering.
Het zelfbeeld en verwante begrippen
Er is geen overeenstemming over de betekenis van het begrip zelfbeeld. Soms
gaat het over het beeld dat iemand van zichzelf heeft en soms kan het zijn dat
iemand het heeft over iemands persoonlijkheid of identiteit. Identiteit +
persoonlijk + zelfbeeld is niet hetzelfde.
- Identiteit -> een goed identiteitsgevoel vormt een goede basis voor alle keuzes
en beslissingen waarmee een volwassen te maken krijgt. Er zijn 2 belangrijke
,karakteristieken als we het hebben over identiteit; Continuïteit (er op kunnen
rekenen dat je morgen dezelfde persoon bent als vandaag) en Contrast (identiteit
is iets unieks; hierdoor onderscheid je je van anderen). Aan de uitwerking van het
begrip identiteit is de naam Erikson verbonden. De kern van het begrip identiteit
heeft te maken met een gevoel van eigenheid, het gevoel iemand te zijn, een
zelfgevoel.
- Persoonlijkheid -> Persoonlijkheid is een begrip waarmee wij gedrag proberen te
verklaren. Er zijn 2 begrippen bepalend; Stabiliteit (iemand moet een bepaald
gedrag regelmatig vertonen) en Consistentie (de contante is voor ieder mens
uniek, en mensen onderscheiden zich door die constante). Iemands
persoonlijkheid wordt deels bepaald door aangeboren factoren, en ontstaat deels
onder invloed van omgevingsfactoren (Genetische en Omgevingsinvloeden).
Mensen beoordelen elkaar, zonder het te weten, op; extraversie, vriendelijkheid,
zorgvuldigheid, emotionele stabiliteit en intellectuele autonomie. (5 factoren
model, Big Five, Gordon Allport).
Ontstaan van het zelfbeeld
In de loop van de ontwikkeling gaan kinderen zich zelf zien en ervaren als ‘een
iemand’, als een ‘zelf’. Met die ontwikkeling ontstaat er ook een zelfbeeld (het
beeld dat een kind heeft van zijn eigenschappen, talenten, houdingen die hem
maken tot wie hij is). De reacties van de omgeving spelen een belangrijke rol bij
het ontstaan van het zelfbeeld.
Zelfbeeld; wat iemand van zichzelf vind op lichamelijk, emotioneel,
sociaal(wat anderen van hem vinden) en cognitief(prestaties) vlak.
1.4 Basishouding
Een leraar kan geen verandering brengen in de relatie tussen hem en een kind
als hij er niet van bewust is welk effect zijn houding en gedrag op dat kind
hebben. Verbale communicatie (wat we zeggen), non verbale communicatie (hoe
we het zeggen, lichaamstaal). Deze moeten overeen komen.
1.5 De praktijk
Hoeverre kan een leraar het opnemen tegen negatieve invloeden van buitenaf
(negatief zelfbeeld) van een kind. Kinderen kunnen onderscheid maken in de
wereld op school en de wereld buiten school. Het is niet te zeggen of het
positieve zelfbeeld op school, van invloed is op het negatieve zelfbeeld buiten
school.
Een mens is niet alleen individu maar maakt deel uit van een groter geheel;
school, gezin ect. We hebben het dan over het zelfbeeld in sociale context. De
, vergelijking met andere kinderen (sociale vergelijkingen), zijn van invloed op het
zelfbeeld. Dus als het zelfbeeld negatief is, betrek de sociale omgeving erbij.
H2 Zelfbeeld; concrete uitwerking
2.1 Een goede relatie en beïnvloeden van het zelfbeeld
Het niet goed functioneren (oorzaak problemen met zelfbeeld) van een kind gaat
ten koste van het leren en lesgeven. Is er een goede relatie tussen leraar en
leerling, dan voelt een kind zich veilig en kan alle aandacht besteed worden aan
Opmerkinge
het beïnvloeden van hetZelfbeeld
negatieve van Gedrag
zelfbeeld. Er en het kind merkt dat de
doordat
n vanhem accepteert, een
leraar staatkind gevoel
hij open voor hulp. van goede relatie is een
Dus een
omgeving om een kind te helpen met het zelfbeeld.
voorwaarde kind
2.2 Ik ben de moeite waard
Concretisering van het begrip zelfbeeld; Een positief zelfbeeld is als het ware een
optelsom van goede en minder goede eigenschappen en vaardigheden, waarvan
de uitkomst is; ik ben de moeite waard. Bij het optellen weegt de ene
eigenschap of vaardigheid zwaarder dan de andere. Je kan je richten op 1 ding
waar je heel slecht in bent, maar je kunt je ook richten op alle andere dingen
waar je wel goed in bent. Zelfbeeld en dus ook het beeld ‘ik ben de moeite
waard’, heeft 4 aspecten;
- Emotioneel aspect -> gevoel van veiligheid, vertrouwen en zekerheid. Er zijn
drie basisbehoeftes; autonomie (ontwikkeling tot zelfstandig wezen en
verantwoordelijk voor zichzelf), relatie en competentie.
- Sociaal aspect -> het gevoel; ik ben aardig en lief. Dit komt overeen met de
basisbehoefte relatie. Is de sociale grondhouding positief, dan zal een kind eerder
relaties aangaan, en ook tegen een stootje kunnen als dit niet goed verloopt. Een
kind wie en hoe hij is door wat anderen tegen hem zeggen of laten blijken.
- Cognitief aspect -> bekwaam. Dit is de basisbehoefte competentie. Door het
vertrouwen in eigen kunnen ontstaat een gevoel van bekwaamheid. Hoe meer
dingen het kind zelf gaat doen, des te bekwamer het zich kan voelen en ook
worden.
- Lichamelijk aspect -> lichamelijke afwijkingen en onhandig zijn kunnen het
gevoel van basiszekerheid van een kind aantasten. Als het dan dus niet lukt krijgt
het kind moeite met het vertrouwen van het lichaam, en dat als een
belemmering ervaren (dus ook een belemmering voor de ontwikkeling).
2.3 Negatief zelfbeeld en compensatiegedrag
Een kind met een positief zelfbeeld kan wel tegen een stootje. Een negatieve
beleving van één of meer aspecten leid niet tot een negatief zelfbeeld. Dit is
afhankelijke van de persoonlijkheidsstructuur van het kind en de wijze waarop de
H1 Zelfbeeld: een theoretisch kader
1.1 Een goede relatie
Een goede relatie vormt de basis voor een goed functionerende leerling en
effectief onderwijs. Elke leraar wil dat de ruimte voor leren en doceren zo groot
mogelijk is. Een goede relatie draagt daar op vele manieren bij;
- Als de relatie goed is, zijn de kinderen bereid de verzoeken (opdrachten, regels)
te accepteren.
- Binnen een goede relatie voelt het kind zich veilig.
- Als een kind weet dat er een goede relatie is, zou die dat niet zomaar op het
spel zetten.
- Binnen een goede relatie durft een kind te laten zien dat hij een probleem heeft.
- Niet altijd pak je het probleem van een leerling op de juiste wijze aan.
Wat zijn de bouwstenen van een relatie tussen leraar en leerling die ervoor
zorgen dat er optimaal les kan worden gegeven en geleerd? Volgens Stevens
moeten de kinderen zichzelf kunnen zijn, en dat de school uitzicht biedt op de
ontwikkeling. Een goede relatie kent 3 elementen ->
Acceptatie (het accepteren van het kind zoals die is), Ondersteuning,
Betrokkenheid (aangaan van een relatie met het kind). Het opbouwen en in stand
houden van een goede relatie vraagt gerichte inzet van de leraar. De leraar moet
inzicht hebben over het zelfbeeld van een kind.
1.2 Een goede relatie en zicht op het zelfbeeld
Het zelfbeeld van een kind kan invloed hebben op de prestaties. Kennis van het
zelfbeeld stelt een leraar in staat het beeld dat een kind van zichzelf heeft zo
nodig positief te beïnvloeden. Wanneer een leraar te weinig zicht heeft op het
zelfbeeld van een kind kan hierdoor de relatie stukgaan, een kind krijgt een nog
negatiever zelfbeeld.
1.3 Het zelfbeeld: een begripsbepaling
Het zelfbeeld in historisch perspectief
De mens wat tot aan de renaissance dienstbaar aan god en de gemeenschap. In
1500 begon hier verandering in te komen. Er werd geleidelijk plaats gemaakt
voor een wereldbeeld waarin de mens centraal staat. Vanaf eind 1900 komt de
mens als individu te staan -> individualisering.
Het zelfbeeld en verwante begrippen
Er is geen overeenstemming over de betekenis van het begrip zelfbeeld. Soms
gaat het over het beeld dat iemand van zichzelf heeft en soms kan het zijn dat
iemand het heeft over iemands persoonlijkheid of identiteit. Identiteit +
persoonlijk + zelfbeeld is niet hetzelfde.
- Identiteit -> een goed identiteitsgevoel vormt een goede basis voor alle keuzes
en beslissingen waarmee een volwassen te maken krijgt. Er zijn 2 belangrijke
,karakteristieken als we het hebben over identiteit; Continuïteit (er op kunnen
rekenen dat je morgen dezelfde persoon bent als vandaag) en Contrast (identiteit
is iets unieks; hierdoor onderscheid je je van anderen). Aan de uitwerking van het
begrip identiteit is de naam Erikson verbonden. De kern van het begrip identiteit
heeft te maken met een gevoel van eigenheid, het gevoel iemand te zijn, een
zelfgevoel.
- Persoonlijkheid -> Persoonlijkheid is een begrip waarmee wij gedrag proberen te
verklaren. Er zijn 2 begrippen bepalend; Stabiliteit (iemand moet een bepaald
gedrag regelmatig vertonen) en Consistentie (de contante is voor ieder mens
uniek, en mensen onderscheiden zich door die constante). Iemands
persoonlijkheid wordt deels bepaald door aangeboren factoren, en ontstaat deels
onder invloed van omgevingsfactoren (Genetische en Omgevingsinvloeden).
Mensen beoordelen elkaar, zonder het te weten, op; extraversie, vriendelijkheid,
zorgvuldigheid, emotionele stabiliteit en intellectuele autonomie. (5 factoren
model, Big Five, Gordon Allport).
Ontstaan van het zelfbeeld
In de loop van de ontwikkeling gaan kinderen zich zelf zien en ervaren als ‘een
iemand’, als een ‘zelf’. Met die ontwikkeling ontstaat er ook een zelfbeeld (het
beeld dat een kind heeft van zijn eigenschappen, talenten, houdingen die hem
maken tot wie hij is). De reacties van de omgeving spelen een belangrijke rol bij
het ontstaan van het zelfbeeld.
Zelfbeeld; wat iemand van zichzelf vind op lichamelijk, emotioneel,
sociaal(wat anderen van hem vinden) en cognitief(prestaties) vlak.
1.4 Basishouding
Een leraar kan geen verandering brengen in de relatie tussen hem en een kind
als hij er niet van bewust is welk effect zijn houding en gedrag op dat kind
hebben. Verbale communicatie (wat we zeggen), non verbale communicatie (hoe
we het zeggen, lichaamstaal). Deze moeten overeen komen.
1.5 De praktijk
Hoeverre kan een leraar het opnemen tegen negatieve invloeden van buitenaf
(negatief zelfbeeld) van een kind. Kinderen kunnen onderscheid maken in de
wereld op school en de wereld buiten school. Het is niet te zeggen of het
positieve zelfbeeld op school, van invloed is op het negatieve zelfbeeld buiten
school.
Een mens is niet alleen individu maar maakt deel uit van een groter geheel;
school, gezin ect. We hebben het dan over het zelfbeeld in sociale context. De
, vergelijking met andere kinderen (sociale vergelijkingen), zijn van invloed op het
zelfbeeld. Dus als het zelfbeeld negatief is, betrek de sociale omgeving erbij.
H2 Zelfbeeld; concrete uitwerking
2.1 Een goede relatie en beïnvloeden van het zelfbeeld
Het niet goed functioneren (oorzaak problemen met zelfbeeld) van een kind gaat
ten koste van het leren en lesgeven. Is er een goede relatie tussen leraar en
leerling, dan voelt een kind zich veilig en kan alle aandacht besteed worden aan
Opmerkinge
het beïnvloeden van hetZelfbeeld
negatieve van Gedrag
zelfbeeld. Er en het kind merkt dat de
doordat
n vanhem accepteert, een
leraar staatkind gevoel
hij open voor hulp. van goede relatie is een
Dus een
omgeving om een kind te helpen met het zelfbeeld.
voorwaarde kind
2.2 Ik ben de moeite waard
Concretisering van het begrip zelfbeeld; Een positief zelfbeeld is als het ware een
optelsom van goede en minder goede eigenschappen en vaardigheden, waarvan
de uitkomst is; ik ben de moeite waard. Bij het optellen weegt de ene
eigenschap of vaardigheid zwaarder dan de andere. Je kan je richten op 1 ding
waar je heel slecht in bent, maar je kunt je ook richten op alle andere dingen
waar je wel goed in bent. Zelfbeeld en dus ook het beeld ‘ik ben de moeite
waard’, heeft 4 aspecten;
- Emotioneel aspect -> gevoel van veiligheid, vertrouwen en zekerheid. Er zijn
drie basisbehoeftes; autonomie (ontwikkeling tot zelfstandig wezen en
verantwoordelijk voor zichzelf), relatie en competentie.
- Sociaal aspect -> het gevoel; ik ben aardig en lief. Dit komt overeen met de
basisbehoefte relatie. Is de sociale grondhouding positief, dan zal een kind eerder
relaties aangaan, en ook tegen een stootje kunnen als dit niet goed verloopt. Een
kind wie en hoe hij is door wat anderen tegen hem zeggen of laten blijken.
- Cognitief aspect -> bekwaam. Dit is de basisbehoefte competentie. Door het
vertrouwen in eigen kunnen ontstaat een gevoel van bekwaamheid. Hoe meer
dingen het kind zelf gaat doen, des te bekwamer het zich kan voelen en ook
worden.
- Lichamelijk aspect -> lichamelijke afwijkingen en onhandig zijn kunnen het
gevoel van basiszekerheid van een kind aantasten. Als het dan dus niet lukt krijgt
het kind moeite met het vertrouwen van het lichaam, en dat als een
belemmering ervaren (dus ook een belemmering voor de ontwikkeling).
2.3 Negatief zelfbeeld en compensatiegedrag
Een kind met een positief zelfbeeld kan wel tegen een stootje. Een negatieve
beleving van één of meer aspecten leid niet tot een negatief zelfbeeld. Dit is
afhankelijke van de persoonlijkheidsstructuur van het kind en de wijze waarop de