Inhoud
Hoorcollege 1 – Functionele anatomie en osteokinematica van de art. coxae ...................................... 2
Zelfstudiecollege week 2 – differentiaaldiagnostiek enkel, onderbeen en voetklachten ...................... 4
Hoorcollege 2 – Functionele anatomie en chronische enkelinstabiliteit .............................................. 11
Zelfstudiecollege week 3-1 – aandoeningen van het jeugdige skelet................................................... 12
Zelfstudiecollege week 3-2 – chronische spier-pees problematiek ...................................................... 14
Hoorcollege 3 – VKB reconstructie........................................................................................................ 16
Hoorcollege 4 – Myofasciale pijn .......................................................................................................... 17
Hoorcollege 5 – Functionele anatomie en biomechanica van het bekken ........................................... 21
Hoorcollege 6 – langer bestaande musculoskeletale pijn als complex symptoom............................... 24
Zelfstudiecollege week 7 – degeneratieve veranderingen in LWK – heup - knie ................................. 26
Hoorcollege 7 – beeldvormende diagnostiek ....................................................................................... 28
Aantekeningen vaardigheidstrainingen ................................................................................................ 33
Oefentoetsen......................................................................................................................................... 61
Uitwerking vaardigheidslijst Diagnostiek .............................................................................................. 75
Week A1 – Heup ................................................................................................................................ 75
Week A2 – Enkel ................................................................................................................................ 79
Week A3 – Knie ................................................................................................................................. 85
Week 4 – Myofasciaal........................................................................................................................ 88
Week 5 – Bekken ............................................................................................................................... 92
Week 6 – Langdurige lage rugpijn ..................................................................................................... 96
Week 7 – Hip-Spine syndrome .......................................................................................................... 99
1
,Hoorcollege 1 – Functionele anatomie en osteokinematica van de art. coxae
1. Heeft kennis van de anatomie van de liesregio
Heup anatomie
- Klassiek kogelgewricht
- Extra contactoppervlak d.m.v. labrum
- Stevig ligamentair kapsel
- Desondanks grote ROM over 3 assen / in de 3 vlakken
Spieranatomie →
- Spieren krijgen / helpen mee met andere functie wanneer ze
niet in anatomische stand aanspannen.
o Bijv: adductoren zijn flexoren bij heup in
heupextensie en exorotatie
Groin triangle voor liespathologie:
- Superior: lig inguinale
- Mediaal: m. adductor longus
- Lateraal: m. sartorius
Liespijn ingedeeld in verschillende patronen:
- Adductor gerelateerd → vaak adductor longus
- Iliopsoas gerelateerd
- Buikwand gerelateerd → rectus abdominis
2. Heeft kennis van de verschillende fasen van een schopbeweging tijdens het voetbal
Fasen schopbeweging: Event:
- - heel strike kick leg
- Preperation - toe-off kick leg
- Backswing - max hip extension
- Leg cocking - max knee flexion
- Acceleration - ball strike
- Follow-through - toe velocity inflection
2
, 3. Heeft kennis van de biomechanica van de schopbeweging
Meest → minste bijdrage aan voetsnelheid tijdens schopbeweging: (grootste momentsarm eerst)
- Heup
- Knie
- Lage rug
- Enkel
Hoe groter de ROM, hoe meer snelheid gegenereerd kan worden. Hier is niet direct veel kracht voor
nodig. Een kleine ROM kan zorgen voor verhoogde kans op blessures, omdat op een kleiner traject,
meer versneld moet worden.
In begin van de swingfase zijn adductoren maximaal excentrisch actief met hoge snelheid:
- Grootste risico op blessures van adductoren bij 30-45% van de swingfase.
Risico op adductor blessure kan je verminderen door meer heupflexie in te zetten. Hierdoor rekt
adductor minder uit (minder excentrisch actief) en is kans op blessure kleiner.
Heupflexie / extensie:
- Wanneer been naar achter is, is er maximaal flexie
moment. Je romp beweegt naar voren, je beweegt naar
extensie, maar flexoren zijn maximaal excentrisch actief
(bij piek van open bolletjes).
4. Kan fysiologische principes van spiercontractie integreren in een klinische redenering
omtrent design van een interventie
Spiermodel van Hill:
- Parallel elastische component (PEC) bindweefsel spier
- Serie elastische component (SEC) peesweefsel spier
- Contractiel elastische component (CEC) spiervezels / sacromeren
o Elastisch = bindweefsel
o Contractiel = spierweefsel
Excentrische contractie:
- Hoe langer de spier, hoe meer kracht gegenereerd kan worden. Bij
excentrische contractie is spier in verlengde positie dus kan er meer kracht
gegenereerd worden dan concentrisch
- Minder stabiel dan concentrisch → haperingen / schokkerige beweging te
zien → veel versnellingen en vertragingen (F = m*a) → hogere belasting op
spierweefsel.
3