18.1
Broeikasgas= een gas dat warmtestraling van de aarde vasthoudt. Dit zijn H 2O (waterdamp), CO2,
CH4, O3, NOx, CFK’s.
Broeikaseffect= een deel van de warmte-uitstraling van de aarde wordt tegengehouden door gassen
in de dampkring (atmosfeer). Dit scheelt 30 graden!
CO2-equivalenten= een CO2 equivalent = bijdrage van 1 kg CO2 aan broeikaseffect.
CH4 heeft 23 CO2 equivalenten
Versterkt broeikaseffect= door menselijk toedoen/invloed een toename van broeikasgassen in de
atmosfeer met als gevolg dat er extra warmte vast wordt gehouden.
Gevolgen: smelten landijs, stijging zeespiegel en overstromingen. Ook meer verdamping door
warmer water meer wolken en meer regen.
Methaan bacteriën= de organismen die organische stoffen onder anaerobe omstandigheden
omzetten tot moerasgas.
Ze leven in extreme omstandigheden: in het laagje water net boven de permafrostlaag. Erg koud en
hoge zoutconcentratie.
Reducenten leven van de overblijfselen. Zij breken de organische stoffen uit de uitwerpselen en dode
resten van planten en dieren, de detritus, volledig af tot onder andere CO2.
De route die koolstof neemt door planten, dieren en reducenten is de snelle koolstofkringloop. Dat
is de kringloop waar koolstof in maximaal een paar honderd jaar een maal rondgaat.
Als organische stoffen van dode organismen onder druk veranderen in steenkool of olie, blijft
koolstof tot miljoenen jaren onveranderd. Deze koolstof is dan deel van de langzame
koolstofkringloop.
18.2
Het stikstofgas in de atmosfeer (N2) is voor de meeste organismen niet opneembaar. Planten nemen
stikstof op uit de bodem als nitraationen (NO 3-) of ammoniumionen (NH4+).
Alleen enkele soorten bacteriën kunnen N 2 uit de lucht opnemen en het koppelen aan organische
stoffen. Dit is stikstofbinding of stikstoffixatie. Dit vindt plaats in stikstofbindende bacteriën.
4 manieren waarop N gefixeerd kan worden:
- Knolletjes bacteriën
- Cyanobacteriën (leven vrij in bodem)
- Stikstof fixerende bacteriën (leven vrij in de bodem)
- Fotochemische stikstoffixatie
Planten kunnen twee anorganische stikstofverbindingen gebruiken voor N-assimilatie: nitraat en
ammonium.
Bacteriën bij ammonificatie betrokken:
- Urobacteriën: heterotroof. Dissimileren het organische ureum of urinezuur en vormen
ammonium.
- Rottingsbacteriën: heterotroof. Dissimileren stikstof bevattende organische verbindingen en
vormen ammonium.
- Ammonificerende bacteriën (anaeroob): autotroof. Verbruiken het anorganische nitraat en
vormen ammonium.
Broeikasgas= een gas dat warmtestraling van de aarde vasthoudt. Dit zijn H 2O (waterdamp), CO2,
CH4, O3, NOx, CFK’s.
Broeikaseffect= een deel van de warmte-uitstraling van de aarde wordt tegengehouden door gassen
in de dampkring (atmosfeer). Dit scheelt 30 graden!
CO2-equivalenten= een CO2 equivalent = bijdrage van 1 kg CO2 aan broeikaseffect.
CH4 heeft 23 CO2 equivalenten
Versterkt broeikaseffect= door menselijk toedoen/invloed een toename van broeikasgassen in de
atmosfeer met als gevolg dat er extra warmte vast wordt gehouden.
Gevolgen: smelten landijs, stijging zeespiegel en overstromingen. Ook meer verdamping door
warmer water meer wolken en meer regen.
Methaan bacteriën= de organismen die organische stoffen onder anaerobe omstandigheden
omzetten tot moerasgas.
Ze leven in extreme omstandigheden: in het laagje water net boven de permafrostlaag. Erg koud en
hoge zoutconcentratie.
Reducenten leven van de overblijfselen. Zij breken de organische stoffen uit de uitwerpselen en dode
resten van planten en dieren, de detritus, volledig af tot onder andere CO2.
De route die koolstof neemt door planten, dieren en reducenten is de snelle koolstofkringloop. Dat
is de kringloop waar koolstof in maximaal een paar honderd jaar een maal rondgaat.
Als organische stoffen van dode organismen onder druk veranderen in steenkool of olie, blijft
koolstof tot miljoenen jaren onveranderd. Deze koolstof is dan deel van de langzame
koolstofkringloop.
18.2
Het stikstofgas in de atmosfeer (N2) is voor de meeste organismen niet opneembaar. Planten nemen
stikstof op uit de bodem als nitraationen (NO 3-) of ammoniumionen (NH4+).
Alleen enkele soorten bacteriën kunnen N 2 uit de lucht opnemen en het koppelen aan organische
stoffen. Dit is stikstofbinding of stikstoffixatie. Dit vindt plaats in stikstofbindende bacteriën.
4 manieren waarop N gefixeerd kan worden:
- Knolletjes bacteriën
- Cyanobacteriën (leven vrij in bodem)
- Stikstof fixerende bacteriën (leven vrij in de bodem)
- Fotochemische stikstoffixatie
Planten kunnen twee anorganische stikstofverbindingen gebruiken voor N-assimilatie: nitraat en
ammonium.
Bacteriën bij ammonificatie betrokken:
- Urobacteriën: heterotroof. Dissimileren het organische ureum of urinezuur en vormen
ammonium.
- Rottingsbacteriën: heterotroof. Dissimileren stikstof bevattende organische verbindingen en
vormen ammonium.
- Ammonificerende bacteriën (anaeroob): autotroof. Verbruiken het anorganische nitraat en
vormen ammonium.