Bio sv h8 4VWO
8.1
Fossielen zijn restanten van vroeger levende organismen. Cuvier ontdekte dat fossielen
afkomstig uit verschillende afzettingslagen niet lijken op de levende organismen in het
gebied. Om toch te passen in het scheppingsverhaal, kwam hij met de catastrofetheorie.
Gebaseerd op natuurrampen, aardbevingen of overstromingen. Door een catastrofe
verdwenen alle levende organismen uit het getroffen gebied. Door een nieuwe schepping
ontstonden nieuwe soorten.
In 18e eeuw trokken natuuronderzoekers de conclusie dat soorten wel kunnen veranderen
en dat uit een soort een andere kan ontstaan. Ontwikkeling van soorten heet evolueren.
Lamarck in 1809 met een eerste evolutietheorie. Hij stelde dat organismen tijdens hun leven
nieuwe eigenschappen verwerven als aanpassing aan hun omgeving en deze geven ze door.
Charles Darwin nieuwe evolutietheorie. Hij bestuurden veel dieren en nam waar dat binnen
dezelfde populatie individuen variëren in eigenschappen.
Volgens Darwin was de drijvende kracht achter evolutie de selectiedruk uit de omgeving: die
heeft invloed op het aandeel van een eigenschap in de populatie.
Evolutietheorie:
Nieuwe soorten ontstaan door:
1) Genetische variatie mutaties
2) Selectie natuurlijke of kunstmatige
3) Isolatie
Toch ook zwakke plekken in de evolutietheorie van Darwin. Geen verklaring voor het
overerven van eigenschappen of voor het ontstaan van een nieuwe soort. Recombinatie van
allelen en mutaties in het DNA leiden tot variaties in de erfelijke eigenschappen. Deze
ontdekkingen vullen de evolutietheorie aan en zijn verwerkt tot de neodarwinistische
theorie.
8.2
Natuurlijke selectie bestaat uit twee processen die Darwin heeft samengevat met de
begrippen ‘struggle for life’ en ‘survival of the fittest’.
In elke omgeving voeren organismen een dagelijkse strijd met soortgenoten om te
overleven:’struggle for life’. De omgeving oefent een selectiedruk uit op de
overlevingskansen van individuen.
Individuen met eigenschappen die gunstig zijn bij die selectiedruk, hebben betere kansen in
de strijd om het bestaan: ‘survival of the fittest’. De ‘fittest’ zijn die individuen in een
populatie die de meeste nakomelingen krijgen.
Allopatrische soortvorming. De barrière splitst een populatie in tweeën. In beide populaties
komen mutaties voor, waardoor de eigenschappen veranderen. Bij het opheffen van de
barrière kunnen de eigenschappen zo verschillen dat individuen uit beide populaties elkaar
niet meer herkennen als soortgenoten of ze kunnen geen vruchtbare nakomelingen meer
krijgen. Uit één soort zijn twee nieuwe soorten ontstaan.
8.1
Fossielen zijn restanten van vroeger levende organismen. Cuvier ontdekte dat fossielen
afkomstig uit verschillende afzettingslagen niet lijken op de levende organismen in het
gebied. Om toch te passen in het scheppingsverhaal, kwam hij met de catastrofetheorie.
Gebaseerd op natuurrampen, aardbevingen of overstromingen. Door een catastrofe
verdwenen alle levende organismen uit het getroffen gebied. Door een nieuwe schepping
ontstonden nieuwe soorten.
In 18e eeuw trokken natuuronderzoekers de conclusie dat soorten wel kunnen veranderen
en dat uit een soort een andere kan ontstaan. Ontwikkeling van soorten heet evolueren.
Lamarck in 1809 met een eerste evolutietheorie. Hij stelde dat organismen tijdens hun leven
nieuwe eigenschappen verwerven als aanpassing aan hun omgeving en deze geven ze door.
Charles Darwin nieuwe evolutietheorie. Hij bestuurden veel dieren en nam waar dat binnen
dezelfde populatie individuen variëren in eigenschappen.
Volgens Darwin was de drijvende kracht achter evolutie de selectiedruk uit de omgeving: die
heeft invloed op het aandeel van een eigenschap in de populatie.
Evolutietheorie:
Nieuwe soorten ontstaan door:
1) Genetische variatie mutaties
2) Selectie natuurlijke of kunstmatige
3) Isolatie
Toch ook zwakke plekken in de evolutietheorie van Darwin. Geen verklaring voor het
overerven van eigenschappen of voor het ontstaan van een nieuwe soort. Recombinatie van
allelen en mutaties in het DNA leiden tot variaties in de erfelijke eigenschappen. Deze
ontdekkingen vullen de evolutietheorie aan en zijn verwerkt tot de neodarwinistische
theorie.
8.2
Natuurlijke selectie bestaat uit twee processen die Darwin heeft samengevat met de
begrippen ‘struggle for life’ en ‘survival of the fittest’.
In elke omgeving voeren organismen een dagelijkse strijd met soortgenoten om te
overleven:’struggle for life’. De omgeving oefent een selectiedruk uit op de
overlevingskansen van individuen.
Individuen met eigenschappen die gunstig zijn bij die selectiedruk, hebben betere kansen in
de strijd om het bestaan: ‘survival of the fittest’. De ‘fittest’ zijn die individuen in een
populatie die de meeste nakomelingen krijgen.
Allopatrische soortvorming. De barrière splitst een populatie in tweeën. In beide populaties
komen mutaties voor, waardoor de eigenschappen veranderen. Bij het opheffen van de
barrière kunnen de eigenschappen zo verschillen dat individuen uit beide populaties elkaar
niet meer herkennen als soortgenoten of ze kunnen geen vruchtbare nakomelingen meer
krijgen. Uit één soort zijn twee nieuwe soorten ontstaan.