Sv bio 4VWO H4 so 4.1 t/m 4.3
Organisatieniveaus= de schaal waarop biologisch onderzoek plaatsvindt.
Zijn:
- Molecuul= kleinste bouwsteen van een stof die nog de stofeigenschappen van deze
stof bezit. Bijv.
Organische stoffen:
stoffen in of afkomstig van levende organismen.
vaak grote moleculen.
zitten C-ketens.
bevatten chemische energie.
bijv. glucose, koolhydraten, eiwitten, vetten, vitaminen.
Anorganische stoffen:
stoffen in levenloze en levende natuur.
vaak kleine moleculen.
bijv. zuurstof, koolstofdioxide, water, mineralen, stikstof.
- Organel= onderdeel van een cel met een bepaalde taak. Bijv. mitochondrium,
celkern.
- Cel= kleinste eenheid van het leven. Bijv. houtcellen, hoorncellen, wittebloedcel,
vetcel.
- Weefsel= groep cellen met dezelfde vorm en dezelfde taak/functie. Bijv.
zenuwweefsel, bloed, huidweefsel.
- Orgaan=deel van een organisme met één of meer functies. Bijv. één vingerkootje,
bloem (bij plant).
- Orgaanstelsel= groep samenwerkende organen. Bijv. zie tabel!!!.
- Organisme= levend wezen. Bijv. dieren, planten, schimmels, bacteriën.
- Populatie= groep soortgenoten die samen een voorplantingsgemeenschap vormen
(wel soortgenoten). Bijv. baarzen in de singel, konijnenpopulatie op Texel,
konijnenpopulatie op Terschelling.
- Soort=een groep organismen met veel gemeenschappelijke kenmerken die bij
kruising (geslachtelijke voorplanting) in staat zijn vruchtbare nakomelingen te
produceren. Bijv. homosapiëns, vliegenzam, Grove den.
- Levensgemeenschap=alle organismen die in een gebied (ecosysteem) leven. Bijv. al
het leven in de singel, al het leven in een bloempot.
- Ecosysteem= begrensd gebied waarin biotische en abiotische factoren een eenheid
vormen. Bijv. de duinen, de singel.
- Biosfeer=al het leven op aarde.
- Systeem aarde= onze planeet: het geheel van alle ecosystemen.
Biotisch= levend.
Abiotisch= niet-levend.
Levenskenmerken:
- Groei - waarnemen
- Ontwikkelen - uitscheiding
- Zich voortplanten - ademhalen
- Zich voeden (&verteren)
- Zich bewegen
- Reageren
, Sv bio 4VWO H4 so 4.1 t/m 4.3
Orgaanstelsel Onderdelen Functie(s)
Beenderstelsel/skelet. Alle beenderen en - Beschermt organen.
gewrichten. - Maakt beweging mogelijk.
- Geeft vorm aan je lichaam.
- Stevigheid.
- Maken van bloedcellen.
- Calcium opslaan.
Spierstelsel. Skeletspieren, de - Maakt beweging mogelijk.
gladde spieren en de
hartspier.
Ademhalingsstelsel. Neus, mondholte, - Opnemen van zuurstof.
keelholte, luchtpijp, - Afgeven van koolstofdioxide.
bronchieën en longen.
Bloedvatenstelsel. - Vervoert bloed met zuurstof en
voedingsstoffen naar de organen.
- Vervoert bloed met CO2 en
andere afvalstoffen naar nieren
en longen.
Verteringsstelsel. Holle buis van mond - Knipt voedsel in kleine
tot anus met opneembare brokjes die de
verschillende darmen kunnen opnemen.
organen: mondholte,
slokdarm, maag,
dunne darm, dikke
darm, anus,
alvleesklier.
Zenuwstelsel. Bestaat uit hersenen, - Aansturen van spieren en het
ruggenmerg en verwerken van informatie uit
zenuwen. zintuigen.
Huid. Verschillende lagen, - Beschermt tegen
de zweet-en ziekteverwekkers.
talgklieren, de nagels - Isoleert het lichaam & regelt
en het haar. lichaamstemperatuur.
- Afgeven van vocht (zweet).
Voorplantingsstelsel. Mannen: teelballen, - Voorplanten.
bijballen, prostaat,
penis en plasbuis.
Vrouwen: eierstokken,
eileiders, vagina.
Urinestelsel. Nieren, urineleiders, - Regelt de samenstelling van
blaas, plasbuis. bepaalde stoffen in je bloed.
- Scheidt afvalstoffen uit.
Hormoonstelsel. Verschillende klieren - Bevat organen die hormonen aan
en de hormonen die het bloed afgeven.
deze hormonen - Hormonen zijn stoffen die
uitscheiden. signalen kunnen doorgeven in
ons lichaam.
Organisatieniveaus= de schaal waarop biologisch onderzoek plaatsvindt.
Zijn:
- Molecuul= kleinste bouwsteen van een stof die nog de stofeigenschappen van deze
stof bezit. Bijv.
Organische stoffen:
stoffen in of afkomstig van levende organismen.
vaak grote moleculen.
zitten C-ketens.
bevatten chemische energie.
bijv. glucose, koolhydraten, eiwitten, vetten, vitaminen.
Anorganische stoffen:
stoffen in levenloze en levende natuur.
vaak kleine moleculen.
bijv. zuurstof, koolstofdioxide, water, mineralen, stikstof.
- Organel= onderdeel van een cel met een bepaalde taak. Bijv. mitochondrium,
celkern.
- Cel= kleinste eenheid van het leven. Bijv. houtcellen, hoorncellen, wittebloedcel,
vetcel.
- Weefsel= groep cellen met dezelfde vorm en dezelfde taak/functie. Bijv.
zenuwweefsel, bloed, huidweefsel.
- Orgaan=deel van een organisme met één of meer functies. Bijv. één vingerkootje,
bloem (bij plant).
- Orgaanstelsel= groep samenwerkende organen. Bijv. zie tabel!!!.
- Organisme= levend wezen. Bijv. dieren, planten, schimmels, bacteriën.
- Populatie= groep soortgenoten die samen een voorplantingsgemeenschap vormen
(wel soortgenoten). Bijv. baarzen in de singel, konijnenpopulatie op Texel,
konijnenpopulatie op Terschelling.
- Soort=een groep organismen met veel gemeenschappelijke kenmerken die bij
kruising (geslachtelijke voorplanting) in staat zijn vruchtbare nakomelingen te
produceren. Bijv. homosapiëns, vliegenzam, Grove den.
- Levensgemeenschap=alle organismen die in een gebied (ecosysteem) leven. Bijv. al
het leven in de singel, al het leven in een bloempot.
- Ecosysteem= begrensd gebied waarin biotische en abiotische factoren een eenheid
vormen. Bijv. de duinen, de singel.
- Biosfeer=al het leven op aarde.
- Systeem aarde= onze planeet: het geheel van alle ecosystemen.
Biotisch= levend.
Abiotisch= niet-levend.
Levenskenmerken:
- Groei - waarnemen
- Ontwikkelen - uitscheiding
- Zich voortplanten - ademhalen
- Zich voeden (&verteren)
- Zich bewegen
- Reageren
, Sv bio 4VWO H4 so 4.1 t/m 4.3
Orgaanstelsel Onderdelen Functie(s)
Beenderstelsel/skelet. Alle beenderen en - Beschermt organen.
gewrichten. - Maakt beweging mogelijk.
- Geeft vorm aan je lichaam.
- Stevigheid.
- Maken van bloedcellen.
- Calcium opslaan.
Spierstelsel. Skeletspieren, de - Maakt beweging mogelijk.
gladde spieren en de
hartspier.
Ademhalingsstelsel. Neus, mondholte, - Opnemen van zuurstof.
keelholte, luchtpijp, - Afgeven van koolstofdioxide.
bronchieën en longen.
Bloedvatenstelsel. - Vervoert bloed met zuurstof en
voedingsstoffen naar de organen.
- Vervoert bloed met CO2 en
andere afvalstoffen naar nieren
en longen.
Verteringsstelsel. Holle buis van mond - Knipt voedsel in kleine
tot anus met opneembare brokjes die de
verschillende darmen kunnen opnemen.
organen: mondholte,
slokdarm, maag,
dunne darm, dikke
darm, anus,
alvleesklier.
Zenuwstelsel. Bestaat uit hersenen, - Aansturen van spieren en het
ruggenmerg en verwerken van informatie uit
zenuwen. zintuigen.
Huid. Verschillende lagen, - Beschermt tegen
de zweet-en ziekteverwekkers.
talgklieren, de nagels - Isoleert het lichaam & regelt
en het haar. lichaamstemperatuur.
- Afgeven van vocht (zweet).
Voorplantingsstelsel. Mannen: teelballen, - Voorplanten.
bijballen, prostaat,
penis en plasbuis.
Vrouwen: eierstokken,
eileiders, vagina.
Urinestelsel. Nieren, urineleiders, - Regelt de samenstelling van
blaas, plasbuis. bepaalde stoffen in je bloed.
- Scheidt afvalstoffen uit.
Hormoonstelsel. Verschillende klieren - Bevat organen die hormonen aan
en de hormonen die het bloed afgeven.
deze hormonen - Hormonen zijn stoffen die
uitscheiden. signalen kunnen doorgeven in
ons lichaam.