sv eco economische crisis H6
Stagflatie= een recessie die samengaat met inflatie
De geaggregeerde vraag, macrovraag of macro-economische vraag is de totale hoeveelheid
goederen en diensten die consumenten producenten, overheid en buitenland in een jaar
willen kopen. EV= C + I + O + E-M
De geaggregeerde vraaglijn laat zien hoe de geaggregeerde vraag afhangt van het algemeen
prijspeil.
Substitutie van het ene product door het andere heeft geen invloed op de geaggregeerde
vraag en biedt dus geen verklaring voor het dalende verloop van de geaggregeerde vraaglijn.
Dit is een verschil tussen de micro-economie en macro-economie. 3 Verklaringen voor het
dalende verloop van de macro-economische vraaglijn:
1. Bij de financiële vermogens. Als het algemeen prijspeil stijgt kan de koopkracht van
het (spaar)geld afnemen en kan zij er minder producen mee kopen. Een stijging van
het algemeen prijspeil leidt tot een aantasting van de reële financiële vermogens. De
macrovraag neemt af.
2. Rente. Als het algemeen prijspeil stijf, zal er meer vraag zijn naar geld op de
vermogensmarkt. Hierdoor zal de rentevoet stijgen gezinnen gaan meer sparen,
minder consumeren en bedrijven zullen minder geld gaan lenen, omdat lenen
duurder wordt, = daling investeringen macrovraag dalen.
3. Verandering van de internationale concurrentiepositie. Als de prijzen in een land
sterker stijgen dan in het concurrerende buitenland, heeft dat invloed op de
bestedingen en dus de macrovraag.
Het geaggregeerde aanbod, macroaanbod of macro-economische aanbod is de totale
hoeveelheid goederen en diensten die bedrijven in een jaar zullen aanbieden. De
geaggregeerde aanbodlijn geeft weer hoe het macro-economische aanbod afhangt van het
algemeen prijspeil. Bij aanbod is er een onderscheid tussen de korte en de lange termijn. Er
is dus de GA-KT, de geaggregeerde aanbodlijn op korte termijn. En de GA-LT, de
geaggregeerde aanbodlijn op lange termijn.
prijsrigiditeit of prijsstarheid= prijzen die niet of nauwelijks veranderen.
Het doorberekenen van de inflatie gaat niet overal even snel. Sommige prijzen liggen voor
een lange periode contractueel vast en reageren vertraagd op gestegen kosten. Als prijzen
slechts met vertraging kunnen reageren op gestegen kosten noemen we deze star of rigide.
Op de arbeidsmarkt is een grote rigiditeit, veel lonen zijn rigide omdat de hoogte ervan is
vastgelegd in een cao. Gedurende de looptijd van een cao kunnen de lonen niet stijgen, pas
na onderhandelingen over een nieuwe cao. Ook wel loonrigiditeit of loonstarheid. Omdat de
loonkosten vaak een belangrijk deel uitmaken van de kostprijs, zal de winstmarge (=de winst
per eenheid product) toenemen. De hogere winstmarge is voor bedrijven aanleiding het
aanbod te vergroten.
Korte-termijn evenwicht: gelijkheid GV en GA-KT, is de productie bij dit evenwicht (Ye) het
reëel bbp.
Op de lange termijn heeft een verandering van het prijsniveau geen invloed op de
aangeboden hoeveelheid goederen en diensten. Dan is GA-LT verticaal.
Op lange termijn kunnen lonen zich wel aanpassen aan een stijging van het prijsniveau en er
is dan loonflexibiliteit. Als de lonen de stijging van het prijsniveau hebben ingehaald, zijn de
Stagflatie= een recessie die samengaat met inflatie
De geaggregeerde vraag, macrovraag of macro-economische vraag is de totale hoeveelheid
goederen en diensten die consumenten producenten, overheid en buitenland in een jaar
willen kopen. EV= C + I + O + E-M
De geaggregeerde vraaglijn laat zien hoe de geaggregeerde vraag afhangt van het algemeen
prijspeil.
Substitutie van het ene product door het andere heeft geen invloed op de geaggregeerde
vraag en biedt dus geen verklaring voor het dalende verloop van de geaggregeerde vraaglijn.
Dit is een verschil tussen de micro-economie en macro-economie. 3 Verklaringen voor het
dalende verloop van de macro-economische vraaglijn:
1. Bij de financiële vermogens. Als het algemeen prijspeil stijgt kan de koopkracht van
het (spaar)geld afnemen en kan zij er minder producen mee kopen. Een stijging van
het algemeen prijspeil leidt tot een aantasting van de reële financiële vermogens. De
macrovraag neemt af.
2. Rente. Als het algemeen prijspeil stijf, zal er meer vraag zijn naar geld op de
vermogensmarkt. Hierdoor zal de rentevoet stijgen gezinnen gaan meer sparen,
minder consumeren en bedrijven zullen minder geld gaan lenen, omdat lenen
duurder wordt, = daling investeringen macrovraag dalen.
3. Verandering van de internationale concurrentiepositie. Als de prijzen in een land
sterker stijgen dan in het concurrerende buitenland, heeft dat invloed op de
bestedingen en dus de macrovraag.
Het geaggregeerde aanbod, macroaanbod of macro-economische aanbod is de totale
hoeveelheid goederen en diensten die bedrijven in een jaar zullen aanbieden. De
geaggregeerde aanbodlijn geeft weer hoe het macro-economische aanbod afhangt van het
algemeen prijspeil. Bij aanbod is er een onderscheid tussen de korte en de lange termijn. Er
is dus de GA-KT, de geaggregeerde aanbodlijn op korte termijn. En de GA-LT, de
geaggregeerde aanbodlijn op lange termijn.
prijsrigiditeit of prijsstarheid= prijzen die niet of nauwelijks veranderen.
Het doorberekenen van de inflatie gaat niet overal even snel. Sommige prijzen liggen voor
een lange periode contractueel vast en reageren vertraagd op gestegen kosten. Als prijzen
slechts met vertraging kunnen reageren op gestegen kosten noemen we deze star of rigide.
Op de arbeidsmarkt is een grote rigiditeit, veel lonen zijn rigide omdat de hoogte ervan is
vastgelegd in een cao. Gedurende de looptijd van een cao kunnen de lonen niet stijgen, pas
na onderhandelingen over een nieuwe cao. Ook wel loonrigiditeit of loonstarheid. Omdat de
loonkosten vaak een belangrijk deel uitmaken van de kostprijs, zal de winstmarge (=de winst
per eenheid product) toenemen. De hogere winstmarge is voor bedrijven aanleiding het
aanbod te vergroten.
Korte-termijn evenwicht: gelijkheid GV en GA-KT, is de productie bij dit evenwicht (Ye) het
reëel bbp.
Op de lange termijn heeft een verandering van het prijsniveau geen invloed op de
aangeboden hoeveelheid goederen en diensten. Dan is GA-LT verticaal.
Op lange termijn kunnen lonen zich wel aanpassen aan een stijging van het prijsniveau en er
is dan loonflexibiliteit. Als de lonen de stijging van het prijsniveau hebben ingehaald, zijn de