We gaan geen losse onderdelen meer bestuderen, maar we gaan het geheel bekijken in de
echte wereld.
We benaderen echte vraagstukken.
→ Hiervoor hebben we verschillende technieken nodig (die we geleerd hebben). Maar welke
techniek gebruik je waarvoor?
Er is een vierstappenplan waarin we een concreet probleem kunnen oplossen:
1. Het probleem begrijpen.
→ Wat is het onbekende? Wat is de data? Wat zijn de condities?
2. Een plan maken.
→ De informatie/data die je hebt combineren zodat je bij de gewenste informatie kunt
komen.
3. Het plan uitvoeren.
→ Bekijk elke stap goed (wees behoed op fouten).
4. Terugkijken
→ Check het resultaat.
Dit klinkt erg logisch, maar in de praktijk is dat nog erg lastig.
We gaan kijken naar 2 tentamenvragen als voorbeelden:
Een boekhandelaar verkoopt kranten voor €2,- per stuk.
Hij betaald zelf €1,20 aan de uitgeverij en kan onverkochte kranten terugbrengen voor
€0,10.
Aan de hand van deze informatie moet je een functie opstellen over zijn winst.
De symbolen die al geïntroduceerd zijn, zijn hier: π, 𝑟 en 𝑠.
, We gaan nu het stappenplan proberen uit te werken.
We willen iets weten over de totale opbrengsten en de totale kosten, waardoor we de totale
winst kunnen berekenen.
De totale opbrengsten zijn:
Voor iedere verkochte krant krijg je €2,-.
Voor iedere teruggegeven krant krijg je €1,10.
De totale kosten zijn:
€1,20 per krant die je of verkoopt of teruggeeft.
Zo krijgen we uiteindelijk de uitdrukking voor de totale winst.