College 5: geheugen, taal en empathie
Neurale representatie van herinneringen.
- Hoe bewaren de hersenen herinneringen? Nog altijd niet helemaal bekend.
o NIET: bepaalde cellen slaan bepaalde informatie op (bijv kindertijd etc).
▪ = grandmother cells.
• Niet efficiënt! Als je een bepaalde cel kwijtraakt ben je een heleboel
herinneringen kwijt.
o NIET: nieuwe verbindingen tussen grote gebieden.
▪ Kari Lashley.
▪ Klassiek conditioneren van dieren.
▪ Zoektocht naar het engram (waar je je herinneringen opstaat).
• Niet gevonden uiteindelijk.
▪ Bracht beschadigingen in het brein aan.
o WEL: gebaseerd op netwerkactivatie.
▪ ‘echo’ van de originele ervaring.
• De gebieden die betrokken zijn bij de herinnering (die toen actief
waren), worden opnieuw geactiveerd als je de herinnering ophaalt.
• = activatie van bijvoorbeeld de sensorische gebieden.
Onderverdelingen van het geheugen.
- Verschillende onderverdelingen:
o Korte termijn vs lange termijn.
▪ Consolidatie (vastleggen in LTG) en rehearsal (het oefenen/herhalen van
informatie – afhankelijk van intensiteit).
▪ Aanvankelijk wordt alles in het KTG opgeslagen, maar komen na een
bepaalde periode in het LTG.
▪ Hoe meer manieren je gebruikt om iets te leren/onthouden
(samenvattingen, schrijven, luisteren, ezelsbruggetjes etc), hoe beter het
wordt opgeslagen in het lange termijn geheugen (= consolideren).
o Procedureel vs declaratief.
▪ Handelingen (procedure – hoe doe je iets) en taal (iets onder woorden
brengen – herinneringen die gebruik maken van taal. ).
o Expliciet vs impliciet.
▪ Bewustzijn (van het moment dat je iets meemaakt/opslaat) van leermoment.
• Niet bewust – impliciet leren.
Hippocampus.
- Belangrijk voor het geheugen.
o Dieren: geheugen voor locaties en ruimtelijke handelingen (spatieel geheugen).
o Mensen: vooral declaratief lange termijn geheugen (= talige herinneringen).
o Bilaterale schade leidt tot (ernstig) geheugenverlies.
▪ Schade aan beide kanten hippocampi.
▪ Ligt diep in de temporaal kwab. Bij beschadiging van 1 gebeurt er niet veel.
Bij schade aan beide treedt ernstig geheugenverlies op.
1
,Patiënt H.M.
- Henry Molaison (1926-2008).
o Ernstige vorm van epilepsie (al vanaf de jeugd).
o In 1953 temporaalkwabben verwijderd incl beide hippocampi (experimentele
operatie).
▪ Hielp vrij goed tegen epilepsie.
o Maar: onvermogen nieuwe herinneringen op te slaan (lange termijn geheugen).
▪ Wel herinneringen van voor de operatie.
▪ We weten hierdoor dus dat consolidatie van geheugensporten in het lange
termijn geheugen een functie van de hippocampus is.
▪ Intact impliciet procedureel geheugen.
• Wel mogelijk om nieuwe handelingen te leren.
Geheugenverlies.
- Amnesie.
o Retrograde amnesie.
▪ Verlies van opgeslagen informatie.
o Anterograde amnesie.
▪ Onvermogen om nieuwe herinneringen te vormen.
- NB: ‘normaal’ vergeten belangrijk.
o Efficiency: onthoud wat belangrijk is en vergeet wat onbelangrijk is.
Werkgeheugen.
- Kort vasthouden in de hersenen en bewerken/gebruiken van informatie.
o Bijv redactiesommen of route plannen op de kaart.
- ‘Onderdelen’:
o Visuspatial sketchpad.
▪ Visuele en spatiele informatie (te maken met zien).
o Phonological loop.
▪ Talige informatie/dingen die je hoort.
o Central executive (coördinatie – wat gebeurt er met informatie en wanneer).
▪ Informatie bewerken en gebruiken → coördinatie proces: wanneer en wat
gebeurt er met de informatie
o Prefrontale gebieden van belang hiervoor, met name de dorsolateral prefrontal
cortex (DLPFC).
Bijzondere vormen van geheugen en geheugenverlies.
- Prospectief geheugen: toekomst.
o Bijv je planning/afspraken in de toekomst.
- Brongeheugen: oorsprong herinnering.
o Waar en wanneer heb je iets gedaan.
o Onderscheid maken tussen een echte en valse herinnering (heb je iets echt
meegemaakt?).
▪ Dit gaat mis bij de ziekte van Korsakov.
- Infant amnesia: weinig herinneringen aan eerste jaren.
o Tot ongeveer 4 jaar.
o De hippocampus is nog in ontwikkeling. Hierdoor onthoud je minder goed (tot 4
jaar).
o NB: duur van onthouden.
2
, ▪ Baby’s en jonge kinderen kunnen wel dingen onthouden, maar voornamelijk
in het KTG.
Taal in het brein: broca’s area.
- Paul Broca (1828-1888).
o Arts in Parijs.
o Ontdekte het gebied wat verantwoordelijk is voor taalproductie (spraak).
▪ Meestal links, soms in beide helften (bilateraal) en nog minder vaak rechts
(bij linkshandigen bijvoorbeeld – maar hoeft niet).
▪ Produceren van gesproken taal:
o Patiënt Tan.
▪ Door Syfilis veroorzaakte beschadiging in linker frontale cortex.
▪ Ernstig verstoorde spraakproductie.
• Zei alleen nog ‘Tan’.
o Hierdoor wist Broca dat dit gebied verantwoordelijk was
voor gesproken taal.
Functie gebied van Broca.
- Belangrijk voor:
o Spraakmotoriek.
o Woordvinding.
▪ Welk woord moet ik uitvinden? Welke spierbeweging hoort daarbij?
o Grammaticaproductie.
▪ Juiste vorm, juiste volgorde etc.
- Beschadiging leidt tot expressieve afasie (moeite met taalproductie).
o Langzaam spreken, incorrecte uitspraak.
o Woordvindingsstoornissen.
▪ Niet goed op het woord kunnen komen.
o A-grammaticale spraak.
▪ Losse woorden, halve zinnen.
o Taalbegrip gespaard.
▪ Het is wel logisch wat er wordt gezegd (van betekenis).
➔ Begrijpt waar het over gaat en wat gezegd wordt is relevant. Weten wat je wil zeggen, alleen
het komt er niet uit.
- Aansturing van spieren om te spreken is vanuit de primaire motorische schors. Hetgeen wat
uitgesproken moet worden komt vanuit het gebied van Broca.
Taal in het brein: Wernicke’s area.
- Karl Wernicke (1848-1905).
o Duits neuroloog.
o Ontdekte gebied verantwoordelijk voor taalbegrip.
- Gebied ligt tegen de primaire auditieve cortex aan.
o Waar klanken als eerste binnen komen.
▪ Klankpatroon omzetten in ideeën: taalbegrip. Verstaan wat er tegen je
gezegd wordt.
- Patiënt.
o Na beroerte beschadiging in linker temporale cortex.
o Gehoor intact.
3
, o Vloeiende, maar betekenisloze spraak. Leek ook niet helemaal goed te begrijpen wat
werd gevraagd.
Functie gebied van Wernicke.
- Belangrijk voor:
o Woordbegrip.
o Zinsbegrip.
- Beschadiging leidt tot receptieve afasie.
o Vloeiend spreken, syntactisch correct, maar betekenisloos.
o Ernstig verstoord taalbegrip.
Fasciculus arcuate.
- Zenuwbundel tussen gebieden Broca en Wernicke.
o Verbinding receptieve en productieve gebieden (productie en begrip).
- Beschadiging leidt tot conductie-afasie.
o Taalbegrip relatief in orde (Wernicke)
o Taalproductie relatief in orde (Broca)
o Onvermogen tot nazeggen.
▪ Auditief patroon nodig, gebied wat hiervoor van belang is werkt dus niet
goed.
Geschreven taal.
- Gebied van Wernicke verbonden met visuele cortex.
o Essentieel voor begrip van geschreven taal.
- Schade leidt tot verlies van leesvaardigheid: alexie.
o Je hebt leren lezen maar verliest de leesvaardigheid doordat de zenuwbundel
verloren gaat.
▪ Bijvoorbeeld door een tumor die erop drukt.
o Is dus duidelijk wat anders dan dyslexie!
Breinbanen (pijltjes).
Empathie en Theory of Mind.
- Empathie: inlevingsvermogen in gevoelens van anderen.
o Je voelt de emotie niet maar kan wel begrijpen dat een ander die
heeft.
- ToM: vermogen om…
o Mentale toestand aan anderen toe te schrijven.
o Te beseffen dat gedachten van anderen kunnen afwijken van de eigen.
o Vanaf ongeveer 4 jaar. Tegenwoordig aanwijzingen dat jongere
kinderen al een deel van ToM hebben ontwikkeld.
▪ False belief test: Sally Anne test.
4
Neurale representatie van herinneringen.
- Hoe bewaren de hersenen herinneringen? Nog altijd niet helemaal bekend.
o NIET: bepaalde cellen slaan bepaalde informatie op (bijv kindertijd etc).
▪ = grandmother cells.
• Niet efficiënt! Als je een bepaalde cel kwijtraakt ben je een heleboel
herinneringen kwijt.
o NIET: nieuwe verbindingen tussen grote gebieden.
▪ Kari Lashley.
▪ Klassiek conditioneren van dieren.
▪ Zoektocht naar het engram (waar je je herinneringen opstaat).
• Niet gevonden uiteindelijk.
▪ Bracht beschadigingen in het brein aan.
o WEL: gebaseerd op netwerkactivatie.
▪ ‘echo’ van de originele ervaring.
• De gebieden die betrokken zijn bij de herinnering (die toen actief
waren), worden opnieuw geactiveerd als je de herinnering ophaalt.
• = activatie van bijvoorbeeld de sensorische gebieden.
Onderverdelingen van het geheugen.
- Verschillende onderverdelingen:
o Korte termijn vs lange termijn.
▪ Consolidatie (vastleggen in LTG) en rehearsal (het oefenen/herhalen van
informatie – afhankelijk van intensiteit).
▪ Aanvankelijk wordt alles in het KTG opgeslagen, maar komen na een
bepaalde periode in het LTG.
▪ Hoe meer manieren je gebruikt om iets te leren/onthouden
(samenvattingen, schrijven, luisteren, ezelsbruggetjes etc), hoe beter het
wordt opgeslagen in het lange termijn geheugen (= consolideren).
o Procedureel vs declaratief.
▪ Handelingen (procedure – hoe doe je iets) en taal (iets onder woorden
brengen – herinneringen die gebruik maken van taal. ).
o Expliciet vs impliciet.
▪ Bewustzijn (van het moment dat je iets meemaakt/opslaat) van leermoment.
• Niet bewust – impliciet leren.
Hippocampus.
- Belangrijk voor het geheugen.
o Dieren: geheugen voor locaties en ruimtelijke handelingen (spatieel geheugen).
o Mensen: vooral declaratief lange termijn geheugen (= talige herinneringen).
o Bilaterale schade leidt tot (ernstig) geheugenverlies.
▪ Schade aan beide kanten hippocampi.
▪ Ligt diep in de temporaal kwab. Bij beschadiging van 1 gebeurt er niet veel.
Bij schade aan beide treedt ernstig geheugenverlies op.
1
,Patiënt H.M.
- Henry Molaison (1926-2008).
o Ernstige vorm van epilepsie (al vanaf de jeugd).
o In 1953 temporaalkwabben verwijderd incl beide hippocampi (experimentele
operatie).
▪ Hielp vrij goed tegen epilepsie.
o Maar: onvermogen nieuwe herinneringen op te slaan (lange termijn geheugen).
▪ Wel herinneringen van voor de operatie.
▪ We weten hierdoor dus dat consolidatie van geheugensporten in het lange
termijn geheugen een functie van de hippocampus is.
▪ Intact impliciet procedureel geheugen.
• Wel mogelijk om nieuwe handelingen te leren.
Geheugenverlies.
- Amnesie.
o Retrograde amnesie.
▪ Verlies van opgeslagen informatie.
o Anterograde amnesie.
▪ Onvermogen om nieuwe herinneringen te vormen.
- NB: ‘normaal’ vergeten belangrijk.
o Efficiency: onthoud wat belangrijk is en vergeet wat onbelangrijk is.
Werkgeheugen.
- Kort vasthouden in de hersenen en bewerken/gebruiken van informatie.
o Bijv redactiesommen of route plannen op de kaart.
- ‘Onderdelen’:
o Visuspatial sketchpad.
▪ Visuele en spatiele informatie (te maken met zien).
o Phonological loop.
▪ Talige informatie/dingen die je hoort.
o Central executive (coördinatie – wat gebeurt er met informatie en wanneer).
▪ Informatie bewerken en gebruiken → coördinatie proces: wanneer en wat
gebeurt er met de informatie
o Prefrontale gebieden van belang hiervoor, met name de dorsolateral prefrontal
cortex (DLPFC).
Bijzondere vormen van geheugen en geheugenverlies.
- Prospectief geheugen: toekomst.
o Bijv je planning/afspraken in de toekomst.
- Brongeheugen: oorsprong herinnering.
o Waar en wanneer heb je iets gedaan.
o Onderscheid maken tussen een echte en valse herinnering (heb je iets echt
meegemaakt?).
▪ Dit gaat mis bij de ziekte van Korsakov.
- Infant amnesia: weinig herinneringen aan eerste jaren.
o Tot ongeveer 4 jaar.
o De hippocampus is nog in ontwikkeling. Hierdoor onthoud je minder goed (tot 4
jaar).
o NB: duur van onthouden.
2
, ▪ Baby’s en jonge kinderen kunnen wel dingen onthouden, maar voornamelijk
in het KTG.
Taal in het brein: broca’s area.
- Paul Broca (1828-1888).
o Arts in Parijs.
o Ontdekte het gebied wat verantwoordelijk is voor taalproductie (spraak).
▪ Meestal links, soms in beide helften (bilateraal) en nog minder vaak rechts
(bij linkshandigen bijvoorbeeld – maar hoeft niet).
▪ Produceren van gesproken taal:
o Patiënt Tan.
▪ Door Syfilis veroorzaakte beschadiging in linker frontale cortex.
▪ Ernstig verstoorde spraakproductie.
• Zei alleen nog ‘Tan’.
o Hierdoor wist Broca dat dit gebied verantwoordelijk was
voor gesproken taal.
Functie gebied van Broca.
- Belangrijk voor:
o Spraakmotoriek.
o Woordvinding.
▪ Welk woord moet ik uitvinden? Welke spierbeweging hoort daarbij?
o Grammaticaproductie.
▪ Juiste vorm, juiste volgorde etc.
- Beschadiging leidt tot expressieve afasie (moeite met taalproductie).
o Langzaam spreken, incorrecte uitspraak.
o Woordvindingsstoornissen.
▪ Niet goed op het woord kunnen komen.
o A-grammaticale spraak.
▪ Losse woorden, halve zinnen.
o Taalbegrip gespaard.
▪ Het is wel logisch wat er wordt gezegd (van betekenis).
➔ Begrijpt waar het over gaat en wat gezegd wordt is relevant. Weten wat je wil zeggen, alleen
het komt er niet uit.
- Aansturing van spieren om te spreken is vanuit de primaire motorische schors. Hetgeen wat
uitgesproken moet worden komt vanuit het gebied van Broca.
Taal in het brein: Wernicke’s area.
- Karl Wernicke (1848-1905).
o Duits neuroloog.
o Ontdekte gebied verantwoordelijk voor taalbegrip.
- Gebied ligt tegen de primaire auditieve cortex aan.
o Waar klanken als eerste binnen komen.
▪ Klankpatroon omzetten in ideeën: taalbegrip. Verstaan wat er tegen je
gezegd wordt.
- Patiënt.
o Na beroerte beschadiging in linker temporale cortex.
o Gehoor intact.
3
, o Vloeiende, maar betekenisloze spraak. Leek ook niet helemaal goed te begrijpen wat
werd gevraagd.
Functie gebied van Wernicke.
- Belangrijk voor:
o Woordbegrip.
o Zinsbegrip.
- Beschadiging leidt tot receptieve afasie.
o Vloeiend spreken, syntactisch correct, maar betekenisloos.
o Ernstig verstoord taalbegrip.
Fasciculus arcuate.
- Zenuwbundel tussen gebieden Broca en Wernicke.
o Verbinding receptieve en productieve gebieden (productie en begrip).
- Beschadiging leidt tot conductie-afasie.
o Taalbegrip relatief in orde (Wernicke)
o Taalproductie relatief in orde (Broca)
o Onvermogen tot nazeggen.
▪ Auditief patroon nodig, gebied wat hiervoor van belang is werkt dus niet
goed.
Geschreven taal.
- Gebied van Wernicke verbonden met visuele cortex.
o Essentieel voor begrip van geschreven taal.
- Schade leidt tot verlies van leesvaardigheid: alexie.
o Je hebt leren lezen maar verliest de leesvaardigheid doordat de zenuwbundel
verloren gaat.
▪ Bijvoorbeeld door een tumor die erop drukt.
o Is dus duidelijk wat anders dan dyslexie!
Breinbanen (pijltjes).
Empathie en Theory of Mind.
- Empathie: inlevingsvermogen in gevoelens van anderen.
o Je voelt de emotie niet maar kan wel begrijpen dat een ander die
heeft.
- ToM: vermogen om…
o Mentale toestand aan anderen toe te schrijven.
o Te beseffen dat gedachten van anderen kunnen afwijken van de eigen.
o Vanaf ongeveer 4 jaar. Tegenwoordig aanwijzingen dat jongere
kinderen al een deel van ToM hebben ontwikkeld.
▪ False belief test: Sally Anne test.
4