Aantekeningen van de lessen
Verpleegkunde
Leerjaar 1
Hogeschool Saxion
Verpleegkundige zorgverlening
Les 2.1 Vitale functies
Leerdoelen:
1. Vitale functies beoordelen
2. Diverse meetinstrumenten toepassen met betrekking tot het meten van de vitale functies
Aantekeningen:
De vitale functies zijn ademhaling, circulatie (hartslag/bloeddruk), temperatuur, bewustzijn
Indicaties voor het meten van de vitale waarden:
- Uitgangswaarde(n) bepalen bij opname
,- Verandering in toestand zorgvrager
- Voorafgaand aan procedure of ingreep
- Voor of na toediening van medicament of (bloed-) product
Ademhaling:
- Frequentie
- Diepte
- Regelmaat
- Ademhalingspatroon
- Geluid, geur, huidskleur, symmetrie
Polsslag (circulatie):
- Frequentie
- Kracht
- Regelmaat
- Gelijkmatigheid (afwisseling zwak/krachtig)
Bloeddruk (circulatie):
- Hypertensie >160 mmHg (te hoog)
- Hypotensie <100 mmHg (te laag)
Temperatuur
- Rectaal, oraal, axillair, auraal
- Normaal: 36,5-37,5
- Verhoging: 37,5-38
- Koorts: 38-41
- Hyperthermie: >41
- Hypothermie: <35
Bewustzijn:
- EMV-score (E=ogen openen, M=motorische reactie, V=verbale reactie)
- AVPU-score (Alert, Verbaal, Pain, Unresponsive)
- Flauwvallen
De EWS (Early Warning Score) is een methode om vroegtijdige problemen te herkennen
Les 2.2 Als het hart faalt is de zorg nabij
Leerdoelen:
1. De belangrijkste verpleegproblemen benoemen
Aantekeningen:
,Complicaties langdurige hoge bloedsuikers: hartaanval, nierfalen, amputaties, blind
Verpleegkundige interventies: voorlichting, leefstijlinterventies, glucose controleren
Leefstijlinterventies: stoppen met roken, stoppen met alcoholgebruik, zoveel mogelijk gezonde
voeding, genoeg bewegen
Culturen en diabetes: kinderen van Marokkaanse achtergrond hebben meer kans op het krijgen van
diabetes type 1. Kinderen van Turkse en Surinaamse achtergrond juist minder.
Geneeskunde
Les 2.1 Waar gaat jouw hart van kloppen?
, Leerdoelen:
1. Benoemen wat de verschillende onderdelen van het circulatiesysteem zijn (de grote en kleine
bloedsomloop, de bouw van het hart (atria/ventrikels), de hartkleppen en de coronairarteriën)
2. Uitleggen hoe het hart bloed rondpompt en begrijp je welke mechanismen daarvoor nodig zijn
(pompfunctie en hartcyclus (systole/diastole))
3. Benoemen hoe een bloeddruk tot stand komt en op welke manier deze door het lichaam wordt
gereguleerd
Aantekening:
Deel 1: anatomie van de bloedsomloop en het hart
Kleine bloedsomloop: rechterkamer (zuurstofarm), linkerboezem (zuurstofrijk)
Grote bloedsomloop: linkerkamer (zuurstofrijk), rechterboezem (zuurstofarm)
Soorten aders:
Arteriën (slagaders): hebben een dikke wand, zijn erg elastisch, geen grote doorsnede
- Musculaire arterie: kan samentrekken zodat bloed kan stromen naar waar het bloed het hardst
nodig is en verdelen het bloed over het lichaam
- Elastische arterie: vangen grote hoeveelheden bloed op uit het hart, snelle bloedstroom
Venen (aders): bevatten kleppen, hebben een dunne en slappe wand en een relatief grote doorsnede
Capillairen (haarvaten): hele dunne wand, uitwisseling vindt plaats en de bloedstroom is erg traag
Klinisch: spataderen
De ader is beschadigd waardoor de kleppen niet goed werken, waardoor bloed naar beneden zakt.
Anatomie hart:
Door de kleppen in het hart stroomt bloed niet terug, er zijn vier soorten kleppen: atrioventriculaire
kleppen (tricuspidalis, mitralis), deze zitten tussen de boezem en kamer, en de halvemaanvormige
kleppen (aortaklep, pulmonalisklep) die voor de aorta en arteria pulmonalis. Deze voorkomen dat het
bloed terugstroomt. De holle aders (v. cava inferior of v. cava superior) voeren zuurstofarm bloed
van het lichaam aan. Uit de aorta komen kleine slagadertjes; kransslagaders. Deze voorzien het hart
van voedingsstoffen. Zonder deze voedingsstoffen kan de hartspier niet goed werken. Als het bloed
zuurstof heeft afgegeven komt het in de kransaders en komt het vervolgens rechtstreeks in de
rechterboezem.
Bloed komt binnen in de boezems (atria), hierna komt het in de kamers (ventrikels). Dit gebeurt
doordat de kleppen openen en door samentrekking van de boezems. Door het tussenschot (septum)
stroomt bloed niet van de ene kamer naar de andere kamer.
Klinisch: myocardinfarct
Het hartzakje bestaat uit twee lagen: pericard en epicard (deze zit direct om het hart en vast aan het
spierweefsel). Hier tussen in zit een kleine hoeveelheid vocht. De coronairvaten zijn de
krans(slag)aders. De myocard is de hartspier en een myocardinfarct (MI) is een hartaanval. Hierbij zit
er in een kransslagader een vernauwing waardoor een deel van het hart geen zuurstof krijgt. Het hart
pompt harder omdat het wel zuurstof nodig heeft. Hierdoor sluit een stukje spierweefsel af.
Klinisch: harttamponade
Er zit te veel vocht in het hartzakje waardoor het hart in elkaar gedrukt wordt. Dit kan komen
doordat er een gaatje in het hartzakje zit waardoor er vocht in stroomt. Het hart kan niet goed
pompen.