Ontwikkelingspsychologie
Invloeden op de levensloop
Samenvatting
,HOOFDSTUK 1: EEN INLEIDING IN DE ONTWIKKELING VAN HET KIND
Levenslooppsychologie/ontwikkelingspsychologie=
Wat is normaal? Patronen in een stadium van het leven.
Levensfases
Prenatale fase en geboorte
Zwanger- geboorte
Babytijd
0-2 jaar
Peuter- en kleutertijd
3-5 jaar
Basisschoolleeftijd
6-12 jaar
Adolescentie
12-20 jaar
Vroege volwassenheid
20-40 jaar
Middelbare leeftijd
40-60 jaar
Ouderdom
Vanaf 60 jaar
o Jonge ouderen (65-74 jaar)
o Oude ouderen (75-84 jaar)
o Oudste ouderen (vanaf 85 jaar)
4 thema’s binnen ontwikkelingspsychologie
Fysieke ontwikkeling (groei en biologisch)
Cognitieve ontwikkeling (denken, interpreteren en begrijpen)
Sociale ontwikkeling (relaties met anderen)
Persoonlijke ontwikkeling (uniek, eigenschappen)
Cohort=
Groep die rond dezelfde tijd en plek is geboren. (Generatie)
Normatieve gebeurtenissen=
Gebeurtenissen die iedereen op dezelfde manier doorloopt. (Leeftijdsgebonden)
Normatieve invloeden=
Meedoen om geen afwijkend gedrag te vertonen.
Niet-normatieve gebeurtenissen=
Specifiek voor een persoon. Niet de hele cohort.
Continue veranderingen= Geleidelijke ontwikkeling.
Discontinue veranderingen= Ontwikkeling in stappen.
,Periodes in het leven:
Kritieke periode
Gebeurtenissen hebben de grootste gevolgen in deze periode.
Gevoelige periode
Periode waarbij extra gevoelig voor omgevingsfactoren.
Plasticiteit=
De mate waarin een ontwikkelend gedragspatroon of structuur gewijzigd kan worden.
Maturatie=
Omgeving helpt erfelijke eigenschappen tot uiting te brengen.
HOOFDSTUK 2: THEORETISCHE PERSPECTIEVEN EN ONDERZOEK
Ontwikkelingsperspectief:
Gedrag vanuit de verschillende levensfases, nature en nurture.
Psychodynamisch perspectief
Onbewuste drift en conflict. Behoeftes en verlangens
Behavioristisch perspectief
Alle gedrag is aangeleerd. Nurture.
Cognitief perspectief
Groei vooral tijdens de jeugd. Aanpassen aan de omgeving= adaptatie.
(Denken in schema’s en informatie coderen opslaan terughalen)
Systematisch perspectief
Relaties hebben invloed op de ontwikkeling van de persoon. (Fysiek, cognitief,
persoonlijk en sociaal).
- 5 omgevingsniveaus (invloeden)
Microsysteem
Mesosysteem
Exosysteem
Macrosysteem
Chronosysteem
Sociohistorische omstandigheden= invloed op alle omgevingsniveaus.
Evolutionair perspectief
Alle gedrag is aangeboren. Nature.
Effect van erfelijkheid op ontwikkeling
, HOOFDSTUK 3: HET BEGIN VAN HET LEVEN
Erfelijkheid
Genen= genetische informatie
DNA= iedere gen bevat DNA. Eigenschappen.
Chromosomen= DNA streng
Mens heeft 46 chromosomen
- Man XY chromosoom
- Vrouw XX chromosoom
Fenotype= Waarneembare kenmerken
Genotype= DNA kenmerken
Multifactoriële overerving=
Genetische informatie beïnvloed door omgeving.
(Uiterlijk, intelligentie, persoonlijkheid, psychische stoornissen)
Omgevingseffect
Genen beïnvloeden de omgeving
Actief genotype omgevingseffect
Eigen omgeving creëren. Kind zelf.
Passief genotype omgevingseffect
Ouders creëren een omgeving.
Evocatief genotype omgevingseffect
Het kind lokt een reactie van de omgeving uit.
Prenatale groei en verandering
Bevruchting
Zaadcel dringt de eicel binnen. Vormen samen een nieuwe cel= Gameten.
Prenatale fase
1. Germinaal stadium (zygote)
Conceptie- 2 weken
Aanleg organen, cruciaal en gevoelig.
2. Embryonaal stadium (embryo)
2-8 weken
Groei hoofd, hersenen.
3. Foetaal stadium (foetus)
8 weken- geboorte
Groeien, lengte, gewicht, bewegen.
Invloeden op de levensloop
Samenvatting
,HOOFDSTUK 1: EEN INLEIDING IN DE ONTWIKKELING VAN HET KIND
Levenslooppsychologie/ontwikkelingspsychologie=
Wat is normaal? Patronen in een stadium van het leven.
Levensfases
Prenatale fase en geboorte
Zwanger- geboorte
Babytijd
0-2 jaar
Peuter- en kleutertijd
3-5 jaar
Basisschoolleeftijd
6-12 jaar
Adolescentie
12-20 jaar
Vroege volwassenheid
20-40 jaar
Middelbare leeftijd
40-60 jaar
Ouderdom
Vanaf 60 jaar
o Jonge ouderen (65-74 jaar)
o Oude ouderen (75-84 jaar)
o Oudste ouderen (vanaf 85 jaar)
4 thema’s binnen ontwikkelingspsychologie
Fysieke ontwikkeling (groei en biologisch)
Cognitieve ontwikkeling (denken, interpreteren en begrijpen)
Sociale ontwikkeling (relaties met anderen)
Persoonlijke ontwikkeling (uniek, eigenschappen)
Cohort=
Groep die rond dezelfde tijd en plek is geboren. (Generatie)
Normatieve gebeurtenissen=
Gebeurtenissen die iedereen op dezelfde manier doorloopt. (Leeftijdsgebonden)
Normatieve invloeden=
Meedoen om geen afwijkend gedrag te vertonen.
Niet-normatieve gebeurtenissen=
Specifiek voor een persoon. Niet de hele cohort.
Continue veranderingen= Geleidelijke ontwikkeling.
Discontinue veranderingen= Ontwikkeling in stappen.
,Periodes in het leven:
Kritieke periode
Gebeurtenissen hebben de grootste gevolgen in deze periode.
Gevoelige periode
Periode waarbij extra gevoelig voor omgevingsfactoren.
Plasticiteit=
De mate waarin een ontwikkelend gedragspatroon of structuur gewijzigd kan worden.
Maturatie=
Omgeving helpt erfelijke eigenschappen tot uiting te brengen.
HOOFDSTUK 2: THEORETISCHE PERSPECTIEVEN EN ONDERZOEK
Ontwikkelingsperspectief:
Gedrag vanuit de verschillende levensfases, nature en nurture.
Psychodynamisch perspectief
Onbewuste drift en conflict. Behoeftes en verlangens
Behavioristisch perspectief
Alle gedrag is aangeleerd. Nurture.
Cognitief perspectief
Groei vooral tijdens de jeugd. Aanpassen aan de omgeving= adaptatie.
(Denken in schema’s en informatie coderen opslaan terughalen)
Systematisch perspectief
Relaties hebben invloed op de ontwikkeling van de persoon. (Fysiek, cognitief,
persoonlijk en sociaal).
- 5 omgevingsniveaus (invloeden)
Microsysteem
Mesosysteem
Exosysteem
Macrosysteem
Chronosysteem
Sociohistorische omstandigheden= invloed op alle omgevingsniveaus.
Evolutionair perspectief
Alle gedrag is aangeboren. Nature.
Effect van erfelijkheid op ontwikkeling
, HOOFDSTUK 3: HET BEGIN VAN HET LEVEN
Erfelijkheid
Genen= genetische informatie
DNA= iedere gen bevat DNA. Eigenschappen.
Chromosomen= DNA streng
Mens heeft 46 chromosomen
- Man XY chromosoom
- Vrouw XX chromosoom
Fenotype= Waarneembare kenmerken
Genotype= DNA kenmerken
Multifactoriële overerving=
Genetische informatie beïnvloed door omgeving.
(Uiterlijk, intelligentie, persoonlijkheid, psychische stoornissen)
Omgevingseffect
Genen beïnvloeden de omgeving
Actief genotype omgevingseffect
Eigen omgeving creëren. Kind zelf.
Passief genotype omgevingseffect
Ouders creëren een omgeving.
Evocatief genotype omgevingseffect
Het kind lokt een reactie van de omgeving uit.
Prenatale groei en verandering
Bevruchting
Zaadcel dringt de eicel binnen. Vormen samen een nieuwe cel= Gameten.
Prenatale fase
1. Germinaal stadium (zygote)
Conceptie- 2 weken
Aanleg organen, cruciaal en gevoelig.
2. Embryonaal stadium (embryo)
2-8 weken
Groei hoofd, hersenen.
3. Foetaal stadium (foetus)
8 weken- geboorte
Groeien, lengte, gewicht, bewegen.