Milieurecht samenvatting
Milieurecht is een verzameling van regels over de omgeving van de mens
teneinde een oplossing te bieden aan ontstane milieuproblemen en om nieuwe
milieuproblemen te voorkomen.
Beginselen in het omgevingsrecht:
- beginsel van voorzorg: pas maatregelen nemen als de gevolgen 100% duidelijk
zijn
- beginselen van preventie: maatregel in beginsel gericht op voorkomen
- beginsel van bestrijding aan de bron
- beginsel van ‘de vervuiler betaalt’
- stand-stilbeginsel: ls bestaande situatie beter is dan voorgeschreven norm,
geldt bestaande situatie als norm
algemene regels inrichting:
De algemene regels worden opgesteld op grond van art. 8:40 Wm. Daarin is
onder meer bepaald dat bij vaststelling van de algemene regels in ieder geval de
bestaande toestand van het milieu, de gevolgen voor het milieu en de
mogelijkheden tot bescherming van het milieu worden betrokken.
Voor algemene regels is er een onderscheid gemaakt in 3 typen inrichtingen in
het Activiteiten besluit: (art. 1.2 Activiteitenbesluit)
- type A-inrichtingen zijn inrichtingen waarvoor geen omgevingsvergunning als
bedoeld in art. 2.1 lid 1 onder e Wabo is vereist en die voldoen aan de criteria
opgenomen in art. 1.2 activiteiten besluit. Dit zijn inrichtingen met geringe
milieubelasting. Op deze inrichtingen in het Activeitenbesluit van toepassing,
maar geldt geen meldingsplicht
- type B-inrichtingen: dit zijn inrichtingen waarvoor geen omgevingsvergunning
als bedoeld in art. 2.1 lid 1 onder e Wabo is vereist en die geen type A inrichting
zijn. Deze inrichtingen valleen geheel onder het Activiteitenbesluit en zijn
meldingsplichtig
- type C-inrichtingen: Dit zijn de inrichtingen die op basis van art. 1.1 lid 3 Wabo
jo. Bijlage 1 onderdeel B en C Bor zijn aangewezen als
omgevingsvergunningplichtige inrichtingen. De voorschriften voor deze
inrichtingen staan in de omgevingsvergunning. Naast de voorschriften uit de
vergunning kan op bepaalde activeiten evenwel ook een deel van
Activiteitenbesluit op deze inrichtingen van toepassing zijn. Naast de
vergunningvoorschriften gelden dan ook algemene rgels van het Activiteiten
besluit.
Melding:
Het oprichten of veranderen van een type B-inrichting of een type C-inrichting
moet worden gemeld bij het bevoegd gezag (art. 8:41 jo. Art. 1.9b jo. Art. 1.10
Activiteitenbesluit)
omgevingsvergunning: milieu
stappenplan
1. Is er sprake van een inrichting in de zin van Wm;
,©n.noijen
art. 2.1 lid 1 sub e Wabo: inrichting of mijnbouwwerk;
Mijnbouwwerk art 1.1 lid 1 Wabo opslag delftstoffen
Inrichting: art 1.1 lid 1 Wabo jo art. 1.1 lid 3 Wabo art. 1.1 lid 4 Wm art. 1.1
lid 3 Wm art. 1.1 lid 1 Wm:
- bedrijfsmatig (winstoogmerk,grote hobby’s ect. )
- plaatsgebonden
- continuïteit (lange termijn & met regelmaat)
2. Inrichting in de zin van de Wabo?
heeft de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu? Art. 1.1 lid 3 Wabo Bor
art. 2.1 lid 1 Bor bijlage 1 onderdeel B en C Bor
3. Vergunningplicht?
art. 1.1 lid 3 Wabo art. 2.1 lid 2 Bor is er sprake van een IPPC instalatie? (zie
richtlijn IPPC bijlage 1) of is er sprake van onderdeel B of C in Bijlage 1 en wordt
hier geen uitzondering vernoemd?
Omgevingsvergunning: milieu
bevoegd gezag: art. 2.4 lid 2 Wabo art. 3.3 Bor
Toetsingskader:
1. Is er sprake van een inrichting of mijnbouwwerk in de zin van artikel 2.1 lid 1
sub e Wabo (zie hierboven)
2. Art. 2.14 Wabo: algemene weigeringgrond en nadere toetsingsgronden.
- algemene weigeringgrond: art. 2.14 lid 3 Wabo
- Nadere toetsingsgronden: art. 2.14 lid 1 Wabo
sub a: relatief vrijblijvend (betrekt)
sub b: mag wel afwijken, mits goed gemotiveerd (houdt rekening met)
sub c: mag je niet van afwijken ( neemt in acht)
Best beschikbare technieken: art. 1.1 Wabo betaalbaar + toegankelijk
Door middel van het stellen van voorschriften in de vergunning kan het bevoegd
gezag de inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is aangevraagd nader
reguleren. Uit art. 2.22 lid 2 jo 2.14 Wabo volgt dat aan een
omgevingsvergunning voor een inrichting voorschriften worden verbonden die
nodig zijn met het oog op de bescherming van het milieu.
Wijzigen of intrekken van de omgevingsvergunning
- actualiseringplicht: verplicht het bevoegd gezag om regelmatig te bezien of de
bestaande vergunningvoorschriften nog toereikend zijn, gelet op de
ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming
van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het
milieu. Art. 2.30 Wabo
- gronden voor wijziging van de vergunning art. 2.31 Wabo
- intrekken van de vergunning door bevoegd gezag in omstandigheden zoals
aangegeven in art. 2.33 Wabo.
Rechtsbescherming:
, ©n.noijen
·hoofdregel is dat de omgevingsvergunning met de reguliere
voorbereidingsprocedure wordt voorbereid (art. 3.7 Wabo). Indien de aanvraag
echter geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een activiteit of een geval
genoemd in art. 3.10 Wabo, dan is de uitgebreide voorbereidingsprocedure van
toepassing.
inhoud van de omgevingsvergunning: Doel art. 5.5 Bor + Middel 5.6 Bor + overig
art. 5.7 Bor
voorschriften art. 5.3 Bor.
Verklaring van geen bedenkingen:
Een dwingende figuur van adivsering: het College van B&W is eigenlijk het
bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning, maar gedeputeerde staten kan in
dit geval ook een mening erover geven. Gevallen hiervoor staan in art. 2.27
Wabo en art. 6.5 tot en met 6.9 Bor)
Afval (hoofdstuk 10 Wm)
definitie art. 1.1 lid 1 Wm:
- alle stoffen,preparaten of voorwerpen,
- waarvan de houder
- zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen
Het begrip afvalstof is ruim uit te leggen. Jurisprudentie geeft slechts
‘aanwijzingen’ of een stof een afvalstof is, feitelijke omstandigheden zijn
bepalend. Een aantal aanwijzingen waarin iets GEEN afvalstof is maar een
reststof:
- stof is gelijk aan een grondstof
- er is een markt voor de stof
- de stof is geen negatieve waarde
- de maatschappelijke opvattingen vinden dat de stof GEEN afvalstof is.
Doelmatig beheer van afval; definitie art. 1.1 Wm
- landelijk afvalstoffenbeheerplan art. 10.3 Wm; deze geeft hoofdlijnen van het
afvalstoffenbeleid art. 10.7 Wn; lagere overheden moeten rekening houden met
dit plan bij het verlenen van een milieuvergunning art. 2.14 lid 1 sub b Wabo.
- voorkeursvolgorde (ladder van Lansink) art. 10.4 Wm
1. Preventie:
kwantitatieve preventie: het nemen van maatregelen die leiden tot een reductie
van de hoeveelheid materiaal die nodig is voor de vervaardiging van producten.
2. Voorbereiden voor hergebruik:
Kwalitatieve preventie: het nemen van maatregelen waardoor het toepassen in
producten van bepaalde stoffen die het milieu in de afvalfase kunnen belasten
vermindert.
producthergebruik: het, al dan niet na bewerking, opnieuw gebruiken van een
product in dezelfde functie als het oorspronkelijke product.
3. Recycling:
materiaalhergebruik: het na bewerking of verwerking van een afvalstof opnieuw