Cost accounting = het ‘produceren’ van management informatie, zoals kostprijzen of kerngetallen.
Management control = deelaspect van management, gericht op het vergroten van de kans dat managers van
een organisatie doelgericht gedrag vertonen, waarmee de kans wordt vergroot dat de organisatie haar doelen
zal halen.
Kosten = de in geld gemeten (onvermijdelijke) opgeofferde waarden aan ingezette schaarse
productiemiddelen.
Offers = onvermijdelijke kosten + verspillingen
Opportuniteitskosten (alternatieve kosten) = kosten gelijk aan baten die verloren gaan door het niet uitvoeren
van het beste alternatief.
Duurzame productiemiddelen
Kosten:
- Afschrijvingen (waardevermindering)
- Kosten vermogensbeslag (rente) (onafhankelijk van eigen of vreemd vermogen)
- Complementaire kosten (bijkomende kosten aan energie, onderhoud, grond- en hulpstoffen, arbeid,
etc.)
Afschrijvingen
- Technische invalshoek – Levensduur: periode waarbij het productiemiddel in staat is producten voort
te brengen in de gewenste hoeveelheid en binnen de gestelde kwaliteitsnormen (gebruikswaarde).
- Economische invalshoek – Levensduur: periode waarbij het productiemiddel prestaties levert met
opbrengstwaarde hoger dan de (complementaire) kosten.
→ Bij het bepalen van de afschrijvingstermijn ga je uit van de kortste van de 2 levensduren.
Afschrijvingsmethoden:
(A) Vast percentage afschrijvingen
𝐴𝑓𝑠𝑐ℎ𝑟𝑖𝑗𝑣𝑖𝑛𝑔 =
𝐴𝑎𝑛𝑠𝑐ℎ𝑎𝑓−𝑟𝑒𝑠𝑡𝑤𝑎𝑎𝑟𝑑𝑒
𝐿𝑒𝑣𝑒𝑛𝑠𝑑𝑢𝑢𝑟
1. Afschrijvingskosten: vast percentage van de aanschafprijs met 2 opties voor de rentekosten:
(i) Rente over de gemiddelde boekwaarde (ieder jaar hetzelfde)
IGem.Bw = Rente (interest) over gemiddelde boekwaarde
𝐴𝑤+𝑅𝑤
𝐼𝐺𝑒𝑚.𝐵𝑤 = 2
∗𝑖 Aw = Aanschafwaarde
Rw = Restwaarde
(ii) Rente over de actuele boekwaarde (ieder jaar anders)
IT = Rente (interest) over actuele boekwaarde
𝐼𝑇 = 𝑏𝑜𝑒𝑘𝑤𝑎𝑎𝑟𝑑𝑒 𝑢𝑙𝑡𝑖𝑚𝑜 𝑇 − 1 ∗ 𝑖 Rw = Restwaarde
i = rente (%)
2. Zowel afschrijvingen als rente: vast percentage van de actuele boekwaarde
RW = Restwaarde
𝑛 𝑅𝑤 𝑥 Aw = Aanschafwaarde
ට =1−
𝐴𝑤 100
n = levensduur