18.1/18.2 BB.4.3 (9.5 niet)
Onderneming en omgeving
- Schematische voorstelling van economische groei. Productie is een
reactie op bestedingen, die weer sterkt afhangt van het inkomen. Dit
inkomen wordt verdiend door bij te dragen aan de productie.
- Economische kringloop (m.u.v. sparen) – geldstromen:
1 Consumptie
2 Lonen
3 IB - inkomstenbelasting
4 Uitkeringen
5 Overheidsbestedingen
6 Vpb - vennootschapsbelasting
7 Import geldstroom naar buiten
8 Export geldstroom naar binnen
9 Investeringen
- Conjunctuur: schommeling van het niveau van de bestedingen ten opzichte
van de productiecapaciteit.
- Trend: trendmatige groei, de te verwachten groei.
1. Recessie (indien de groei negatief is: depressie)
2. Herstel en opleving
3. Expansie/overspanning
4. Afzwakking/neergang
1+2: laagconjunctuur (Groei onder de trend)
3+4: hoogconjunctuur (Groei boven de trend)
Hoofdstuk 9 – Conjunctuur en groei (9.5 niet)
- Nominale cijfers: inkomen in euro’s
- Reële cijfers: inkomen vertaald naar hoeveel spullen je kunt kopen, koopkracht.
- Conjunctuurgevoeligheid van markten: gevoelig: industrie, bouw, auto, luchtvaart.
Ongevoelig: landbouw, voedingsmiddelenindustrie (supermarkt), niet-
commerciële sector
Basisproducten worden altijd gekocht ongeacht de prijs. Om minder conjunctuurgevoelig te zijn:
richten op noodzakelijke producten=productdiversificatie OF meer plaatsen=geografische diversificatie
(Om de bestedingen te verhogen rente omlaag, belastingen verlagen)
Hoofdstuk 7.5 – Economische kringloop
Investeringen van bedrijven:
- Vervangingsinvesteringen: aanschaffen van kapitaalgoederen om versleten machines te vervangen
- Uitbreidingsinvesteringen: kapitaalgoederen gekocht om voorraad uit te breiden
Investeren bij:
- afzet verwachting omhoog - producentenvertrouwen omhoog
- winst omhoog - bezettingsgraad omhoog (mate waarin de
- rente omlaag (goedkoper lenen) aanwezige productiecapaciteit wordt benut)