Examenstof Kunstgeschiedenis
Sophia de Leeuw
Romantiek 1800-1840:
Toenemende belangstelling voor het gevoel, emoties en fantasie.
Kenmerken:
Natuur, dromen en fantasie
Persoonlijke emoties
Clair-obscur
Symbolen
Dynamiek
Realisme 1840-1880:
Industriële revolutie vindt plaats. Uitvinding van de verftube, zorgt voor ‘en plein air’.
In de open lucht.
Kenmerken:
Technische vooruitgang
Alledaagse leven
Plein air
Contrapost houding in de beeldhouwkunst. 1 been naar voren.
Sombere kleuren
Impressionisme 1870-1905:
Veel gebruik gemaakt van ontdekkingen in de natuurwetenschappen.
Kenmerken:
Fotografie als hulpmiddel
Plein air
Lichtval
Stemming van een moment
Zuivere kleuren
Japonisme
Dynamisch
Expressief
Pointillisme 1884-1905:
,Door de stippen dicht bij elkaar te zetten, mengen de kleuren.
Kenmerken:
Herstructurering
Puntjes
Zuivere kleuren
Sfeer en lichtval
Postimpressionisme 1884-1905:
Vincent van Gogh. Veel dikke verf aangebracht met veel ritme
Kenmerken:
Onrealistisch kleurgebruik
Persoonlijk visie van kunstenaar
Afwijzing impressionisme
Nieuwe uitbeeldingsvormen.
Symbolisme 1885-1900:
Verzetten tegen filosofie. Paul Gauguin..
Kenmerken:
Fel kleurgebruik
Lijnperspectief
Figuren en vormen
Dynamisch
Symboliek
Modernisme 1875-1940:
Overkoepelende naam voor verschillende stromingen.
Veel fotografie dus de werkelijkheid is anders.
Arts and Crafts 1875-1900:
Geïnspireerd door middeleeuwse kunst. William Morris
Kenmerken:
Heldere, natuurlijke kleuren
Gestileerde vormen
Takken/bladeren/patronen
Jugendstil 1890-1910:
, Beinvloed door William Morris. Jugendstil = Art Nouveau. Japanse kunst is de
inspiratie, symboliek speelt een grote rol.
Kenmerken:
Gebogen lijnen
Organische vormen
Asymmetrisch
Ambachtelijke technieken
Natuur/planten/vogels
Dunne sierlijke lijnen
Realistische vormgeving mensen
Japans
Art deco 1910-1940:
Kenmerken:
Geometrische vormen
Primaire kleuren
Ambacht en luxe materialen
Verschil Art deco en Jugendstil:
Art deco maakt gebruik van geometrische vormen en strakke lijnen. In Jugendstil zijn
de lijnen vloeiender. Art deco maakt gebruik van primaire kleuren en Jugendstil
pasteltinten.
Expressionisme 1905-1920:
Richt zich op innerlijk kunstenaar. Gebruik maken van felle kleuren om emoties te
uiten. Ook dit is verdeeld in verschillende stromingen.
Fauvisme 1905-1910:
Kenmerken:
Landschap
Spontaan en vanuit gevoel
Dikke olieverf
Decoratief
Felle kleuren
Dikke contour
Die Brücke 1905-1913:
Sophia de Leeuw
Romantiek 1800-1840:
Toenemende belangstelling voor het gevoel, emoties en fantasie.
Kenmerken:
Natuur, dromen en fantasie
Persoonlijke emoties
Clair-obscur
Symbolen
Dynamiek
Realisme 1840-1880:
Industriële revolutie vindt plaats. Uitvinding van de verftube, zorgt voor ‘en plein air’.
In de open lucht.
Kenmerken:
Technische vooruitgang
Alledaagse leven
Plein air
Contrapost houding in de beeldhouwkunst. 1 been naar voren.
Sombere kleuren
Impressionisme 1870-1905:
Veel gebruik gemaakt van ontdekkingen in de natuurwetenschappen.
Kenmerken:
Fotografie als hulpmiddel
Plein air
Lichtval
Stemming van een moment
Zuivere kleuren
Japonisme
Dynamisch
Expressief
Pointillisme 1884-1905:
,Door de stippen dicht bij elkaar te zetten, mengen de kleuren.
Kenmerken:
Herstructurering
Puntjes
Zuivere kleuren
Sfeer en lichtval
Postimpressionisme 1884-1905:
Vincent van Gogh. Veel dikke verf aangebracht met veel ritme
Kenmerken:
Onrealistisch kleurgebruik
Persoonlijk visie van kunstenaar
Afwijzing impressionisme
Nieuwe uitbeeldingsvormen.
Symbolisme 1885-1900:
Verzetten tegen filosofie. Paul Gauguin..
Kenmerken:
Fel kleurgebruik
Lijnperspectief
Figuren en vormen
Dynamisch
Symboliek
Modernisme 1875-1940:
Overkoepelende naam voor verschillende stromingen.
Veel fotografie dus de werkelijkheid is anders.
Arts and Crafts 1875-1900:
Geïnspireerd door middeleeuwse kunst. William Morris
Kenmerken:
Heldere, natuurlijke kleuren
Gestileerde vormen
Takken/bladeren/patronen
Jugendstil 1890-1910:
, Beinvloed door William Morris. Jugendstil = Art Nouveau. Japanse kunst is de
inspiratie, symboliek speelt een grote rol.
Kenmerken:
Gebogen lijnen
Organische vormen
Asymmetrisch
Ambachtelijke technieken
Natuur/planten/vogels
Dunne sierlijke lijnen
Realistische vormgeving mensen
Japans
Art deco 1910-1940:
Kenmerken:
Geometrische vormen
Primaire kleuren
Ambacht en luxe materialen
Verschil Art deco en Jugendstil:
Art deco maakt gebruik van geometrische vormen en strakke lijnen. In Jugendstil zijn
de lijnen vloeiender. Art deco maakt gebruik van primaire kleuren en Jugendstil
pasteltinten.
Expressionisme 1905-1920:
Richt zich op innerlijk kunstenaar. Gebruik maken van felle kleuren om emoties te
uiten. Ook dit is verdeeld in verschillende stromingen.
Fauvisme 1905-1910:
Kenmerken:
Landschap
Spontaan en vanuit gevoel
Dikke olieverf
Decoratief
Felle kleuren
Dikke contour
Die Brücke 1905-1913: