woordenschat
Mentaal lexicon = het woordgeheugen
(langetermijngeheugen)
Identiteiten van een woord:
1.Akoestische identiteit (hoe het woord klinkt)
2. Articulatorische identiteit (uitspraak van een woord)
3. Fonologische identiteit (akoestische + articulatorische)
4. Morfologische identiteit (opbouw van een woord)
5. Semantische identiteit (betekenis van een woord)
6. Synthactische identiteit (combinatie met andere woorden)
7. Orthografische identiteit (spelling)
Woordenschat is uit te breiden door nieuwe woorden letterlijk
aan te leren of betekenis van bekende woorden uit te diepen
(diepe woordkennis)
Productieve/ actieve woordenschat
= woorden die het kind gebruikt
Receptieve/passieve woordenschat
= woorden die het kind begrijpt.
Dagelijkse Algemene Taalvaardigheid (DAT)
alledaagse taal, thuis/omgang bijvoorbeeld
Cognitieve Acedemische Taalvaardigheid (CAT)
schooltaal, instructietaal, abstract taalgebruik
Mentaal lexicon = het woordgeheugen
(langetermijngeheugen)
Identiteiten van een woord:
1.Akoestische identiteit (hoe het woord klinkt)
2. Articulatorische identiteit (uitspraak van een woord)
3. Fonologische identiteit (akoestische + articulatorische)
4. Morfologische identiteit (opbouw van een woord)
5. Semantische identiteit (betekenis van een woord)
6. Synthactische identiteit (combinatie met andere woorden)
7. Orthografische identiteit (spelling)
Woordenschat is uit te breiden door nieuwe woorden letterlijk
aan te leren of betekenis van bekende woorden uit te diepen
(diepe woordkennis)
Productieve/ actieve woordenschat
= woorden die het kind gebruikt
Receptieve/passieve woordenschat
= woorden die het kind begrijpt.
Dagelijkse Algemene Taalvaardigheid (DAT)
alledaagse taal, thuis/omgang bijvoorbeeld
Cognitieve Acedemische Taalvaardigheid (CAT)
schooltaal, instructietaal, abstract taalgebruik