4.1
1. Je kent de stappen (zowel voor de man als voor de vrouw) van kiemcel tot bevruchte eicel
en je weet in welke organen deze stappen plaatsvinden (zie ook 4.2).
Vrouw:
o Kiemcellen (diploide oogonia) [ovaria] > diploide primaire oocyten [ovaria] >
secundaire haploide oocyten [ovaria] > eicel [eileider] > bevruchte eicel (zygote)
[eileider].
Man:
o Kiemcellen (spermatogonia) [wanden van de zaadbuisjes van de testis] > primaire
diploide spermaocyt [testis] > secundaire haploide spermaocyt [testis] > spermatiden
[testis] > zaadcellen > sperma [zaadleiders] > eicel.
2. Je kan de definitie geven van de begrippen “ovulatie”, “bevruchting”, “zona pellucida”,
“bevruchtingsmembraan” en “zygote”.
Ovulatie: eisprong. Eicel uit een van beide eierstokken komt in een eileider.
Bevruchting: kern van de eicel en kern van de zaadcel versmelten.
Zona pellucida: een doorzichtig eiwitlaag. Laag dat zich onder de follikelcellen bevindt.
Bevruchtingsmembraan: een voor zaadcellen ondoordringbare laag
Zygote: het DNA van de vader komt in de celkern van de eicel, de bevruchting is afgerond. er
is een zygote (bevruchte eicel) gevormd.
3. Je kan uitleg geven bij bron 1.
De zaadcel gaat langs de follikelcellen (1) naar het zona pellucida (2). De zaadcel gaat
vervolgens door het zona pellucida (3) en maakt uiteindelijk contact met het celmembraan
van de eicel (4). Tegelijkertijd geven blaasjes in het grondplasma van de eicel stoffen af die
de zona pellucida verandert in een voor zaadcellen ondoordringbare laag, oftewel het
bevruchtingsmembraan (5).
4. Je kan uitleggen wat klievingsdelingen zijn.
De eerste delingen waarbij geen plasmagroei optreedt.
5. Je kan uitleggen waarom de bevruchte eicel klievingsdelingen uit kan voeren en normale
cellen (huidcel, darmcel, zenuwcel etc.) niet.
Want de cel neemt niet in volume toe. Voor normale cel is dit levensomvatbaar omdat zij te
klein zijn.
6. Je kan uitleggen wat innesteling is.
Het ingroeien van het embryo in het baarmoederslijmvlies.
7. “Innesteling en ontwikkeling” van dit gedeelte leer je de onderdelen + functies uit je hoofd.
5 dagen na de bevruchting bestaat het embryo uit zo'n 100 cellen. 1 of 2 dagen later vindt de
innesteling plaats.
Het embryo bestaat dan uit een blaasje, een blastula. De cellen aan de buitenkant vormen de
trofoblast. binnenin bevat het de embryoblast waaruit de kiemschijf ontstaat en de
blastocyste, die het dooierblaasje levert.
De trofoblast produceert verschillende stoffen, o.a. het hormoon HCG. Met een
zwangerschapstest kan deze stof na zo'n 2 weken na de bevruchting worden aangetoond. De
trofoblast vormt vlokken die tussen de cellen van het baarmoederslijmvlies ingroeien en het
embryonale del van de placenta vormen.
, Cellen van de kiemschijf groeien uit tot het kind. Cellen tussen trofoblast en kiemschijf
vormen de hechtsteel: het begin van de navelstreng.
Aan beide zijden van de kiemschijf ontstaat een holte, een kleine, de holte van het
dooierblaasje, en een grote, de amnionholte. Het dooierblaasje vormt de eerste bloedcellen.
Later neemt de lever dit over en verdwijnt het dooierblaasje. Uiteindelijk vormt het rode
beenmerg de bloedcellen.
De amnionholte groeit en vult ten slotte de gehele blastulaholte. Hij is gevuld met
vruchtwater.
Het embryo is nu omgeven door vruchtwater binnen 2 vruchtvliezen, het amnion (afkomstig
van het amnionblaasje) en het chorion (afkomstig van de trofoblast). De vruchtvliezen
groeien met het embryo mee.
8. Je kan het verschil uitleggen tussen een embryo en een foetus.
Een embryo kan pas een foetus genoemd worden als alle organen zijn aangelegd. Een
embryo is dus nog in ontwikkeling, terwijl een foetus alleen groeit.
9. Je kent de bouw van de placenta.
Navelstrengslagaders.
navelstrengader.
Vlokken
Ruimte dat gevuld kan worden met bloed van de moeder.
10. Je kan uitleggen hoe de stofwisseling tussen moeder en kind in zijn werk gaat.
Het bloed van de moeder omspoelt de met (embryonaal) bloed gevulde vlokken van het
embryo. De uitwisseling van de stoffen vindt plaats via de celmembranen van de vlokken.
11. Je weet welke stoffen worden uitgewisseld tussen moeder en kind.
Via de navelstrengader komt er bloed met voedingsstoffen en zuurstof van de moeder bij
het kind.
Via de navelstrengslagaders komt er bloed met afvalstoffen en CO2 van het kind bij de
moeder.
12. “Beide bloedsomlopen blijven strikt gescheiden blz. 120”, waarom is dit noodzakelijk?
Als de moeder en kind een andere bloedgroep hebben, kan er bij bloedcontact klontering
ontstaan.
13. Je kan uitleggen welke invloed leefstijl kan hebben op het ongeboren kind.
Tijdens de eerste 8 weken van de zwangerschap heeft de leefstijl van de zwangere vrouw
heel veel invloed op het kind. Alcohol, medicijnen, drugs en roken hebben nadelige gevolgen
voor het kind. Deze lichaamsvreemde stoffen kunnen via de placenta bij het ongeboren kind
terechtkomen. Teveel stress heeft vergelijkbare gevolgen als roken.
Goede voeding heeft ook invloed op de groei van het ongeboren kind. Kalk is nodig voor de
ontwikkeling van de botten en de tanden. extra foliumzuur slikken verlaagt de kans op een
open rug bij de baby.
14. Je weet op welk chromosoom het SRY gen zit en wat voor effect de van dit gen heeft op de
gangen van Wolff en Müller, de genitale knop en groeve.
Op het Y-chromosoom ligt het SRY-gen. Door deze gen ontwikkelen zich:
omstreeks de zesde week de testes (zaadballen). --> zonder SRY-gen zou dit uitgroeien tot
ovaria.
1. Je kent de stappen (zowel voor de man als voor de vrouw) van kiemcel tot bevruchte eicel
en je weet in welke organen deze stappen plaatsvinden (zie ook 4.2).
Vrouw:
o Kiemcellen (diploide oogonia) [ovaria] > diploide primaire oocyten [ovaria] >
secundaire haploide oocyten [ovaria] > eicel [eileider] > bevruchte eicel (zygote)
[eileider].
Man:
o Kiemcellen (spermatogonia) [wanden van de zaadbuisjes van de testis] > primaire
diploide spermaocyt [testis] > secundaire haploide spermaocyt [testis] > spermatiden
[testis] > zaadcellen > sperma [zaadleiders] > eicel.
2. Je kan de definitie geven van de begrippen “ovulatie”, “bevruchting”, “zona pellucida”,
“bevruchtingsmembraan” en “zygote”.
Ovulatie: eisprong. Eicel uit een van beide eierstokken komt in een eileider.
Bevruchting: kern van de eicel en kern van de zaadcel versmelten.
Zona pellucida: een doorzichtig eiwitlaag. Laag dat zich onder de follikelcellen bevindt.
Bevruchtingsmembraan: een voor zaadcellen ondoordringbare laag
Zygote: het DNA van de vader komt in de celkern van de eicel, de bevruchting is afgerond. er
is een zygote (bevruchte eicel) gevormd.
3. Je kan uitleg geven bij bron 1.
De zaadcel gaat langs de follikelcellen (1) naar het zona pellucida (2). De zaadcel gaat
vervolgens door het zona pellucida (3) en maakt uiteindelijk contact met het celmembraan
van de eicel (4). Tegelijkertijd geven blaasjes in het grondplasma van de eicel stoffen af die
de zona pellucida verandert in een voor zaadcellen ondoordringbare laag, oftewel het
bevruchtingsmembraan (5).
4. Je kan uitleggen wat klievingsdelingen zijn.
De eerste delingen waarbij geen plasmagroei optreedt.
5. Je kan uitleggen waarom de bevruchte eicel klievingsdelingen uit kan voeren en normale
cellen (huidcel, darmcel, zenuwcel etc.) niet.
Want de cel neemt niet in volume toe. Voor normale cel is dit levensomvatbaar omdat zij te
klein zijn.
6. Je kan uitleggen wat innesteling is.
Het ingroeien van het embryo in het baarmoederslijmvlies.
7. “Innesteling en ontwikkeling” van dit gedeelte leer je de onderdelen + functies uit je hoofd.
5 dagen na de bevruchting bestaat het embryo uit zo'n 100 cellen. 1 of 2 dagen later vindt de
innesteling plaats.
Het embryo bestaat dan uit een blaasje, een blastula. De cellen aan de buitenkant vormen de
trofoblast. binnenin bevat het de embryoblast waaruit de kiemschijf ontstaat en de
blastocyste, die het dooierblaasje levert.
De trofoblast produceert verschillende stoffen, o.a. het hormoon HCG. Met een
zwangerschapstest kan deze stof na zo'n 2 weken na de bevruchting worden aangetoond. De
trofoblast vormt vlokken die tussen de cellen van het baarmoederslijmvlies ingroeien en het
embryonale del van de placenta vormen.
, Cellen van de kiemschijf groeien uit tot het kind. Cellen tussen trofoblast en kiemschijf
vormen de hechtsteel: het begin van de navelstreng.
Aan beide zijden van de kiemschijf ontstaat een holte, een kleine, de holte van het
dooierblaasje, en een grote, de amnionholte. Het dooierblaasje vormt de eerste bloedcellen.
Later neemt de lever dit over en verdwijnt het dooierblaasje. Uiteindelijk vormt het rode
beenmerg de bloedcellen.
De amnionholte groeit en vult ten slotte de gehele blastulaholte. Hij is gevuld met
vruchtwater.
Het embryo is nu omgeven door vruchtwater binnen 2 vruchtvliezen, het amnion (afkomstig
van het amnionblaasje) en het chorion (afkomstig van de trofoblast). De vruchtvliezen
groeien met het embryo mee.
8. Je kan het verschil uitleggen tussen een embryo en een foetus.
Een embryo kan pas een foetus genoemd worden als alle organen zijn aangelegd. Een
embryo is dus nog in ontwikkeling, terwijl een foetus alleen groeit.
9. Je kent de bouw van de placenta.
Navelstrengslagaders.
navelstrengader.
Vlokken
Ruimte dat gevuld kan worden met bloed van de moeder.
10. Je kan uitleggen hoe de stofwisseling tussen moeder en kind in zijn werk gaat.
Het bloed van de moeder omspoelt de met (embryonaal) bloed gevulde vlokken van het
embryo. De uitwisseling van de stoffen vindt plaats via de celmembranen van de vlokken.
11. Je weet welke stoffen worden uitgewisseld tussen moeder en kind.
Via de navelstrengader komt er bloed met voedingsstoffen en zuurstof van de moeder bij
het kind.
Via de navelstrengslagaders komt er bloed met afvalstoffen en CO2 van het kind bij de
moeder.
12. “Beide bloedsomlopen blijven strikt gescheiden blz. 120”, waarom is dit noodzakelijk?
Als de moeder en kind een andere bloedgroep hebben, kan er bij bloedcontact klontering
ontstaan.
13. Je kan uitleggen welke invloed leefstijl kan hebben op het ongeboren kind.
Tijdens de eerste 8 weken van de zwangerschap heeft de leefstijl van de zwangere vrouw
heel veel invloed op het kind. Alcohol, medicijnen, drugs en roken hebben nadelige gevolgen
voor het kind. Deze lichaamsvreemde stoffen kunnen via de placenta bij het ongeboren kind
terechtkomen. Teveel stress heeft vergelijkbare gevolgen als roken.
Goede voeding heeft ook invloed op de groei van het ongeboren kind. Kalk is nodig voor de
ontwikkeling van de botten en de tanden. extra foliumzuur slikken verlaagt de kans op een
open rug bij de baby.
14. Je weet op welk chromosoom het SRY gen zit en wat voor effect de van dit gen heeft op de
gangen van Wolff en Müller, de genitale knop en groeve.
Op het Y-chromosoom ligt het SRY-gen. Door deze gen ontwikkelen zich:
omstreeks de zesde week de testes (zaadballen). --> zonder SRY-gen zou dit uitgroeien tot
ovaria.