5.1
1. Je kent de definitie van de begrippen “genotype”, “fenotype” en “genoom”.
Genotype: de genen die je hebt.
Fenotype: waarneembare eigenschappen.
Genoom: geheel van erfelijk materiaal.
2. Je kan uitleggen hoe het genotype van een organisme tot stand komt.
Bij de bevruchting smelten de kernen van de zaadcel en de eicel tot 1 kern. Er ontstaan
homologe chromosomen met erfelijke informatie van elk ouder.
3. Je kan uitleggen hoe het fenotype van een organisme tot stand komt.
Het fenotype wordt gevormd onder invloed van het genotype en van de omgeving en
leefstijl.
4. Je kan uitleggen hoe het genoom van een organisme tot stand komt (o.a. is mitochondriaal
DNA van een organisme afkomstig van de moeder of van de vader?).
Bij de bevruchting smelten de kernen van de zaadcel en de eicel tot 1 kern. Er ontstaan
homologe chromosomen met erfelijke informatie van elk ouder. Deze chromosomen
bevatten erfelijk materiaal wat het genoom vormt.
5. Het mitochondriaal DNA is afkomstig van de moeder. Zowel de eicel als de zaadcel bevat het
mitochondrium, alleen ligt het mitochondrium van de zaadcel in de staart. Die verliest hij bij
de bevruchting.
6. Je kan uitleggen hoe cellen cholesterol opnemen uit het bloed.
Cholesterol komt via vet voedsel in je bloed. In de cellen van je lever en je spieren zijn genen
actief om de cellen cholesterol aan te laten maken. Het bloed vervoert al het hydrofobe
cholesterol in blaasjes. Voor het opnemen van die blaasjes gebruiken de cellen speciale
receptoren. Die maken de endocytose mogelijk.
7. Je kent bron 2.
-
8. Je begrijpt bron 2. Dit betekend dat je kan uitleggen hoe genen invloed kunnen hebben op
de samenstelling van eiwitten in het celmembraan. (En in dit geval, hoe genen invloed
hebben op de cholesterolopname door cellen).
Het genotype (de genen) bepaalt het fenotype (de samenstelling van eiwitten in het
celmembraan). Het fenotype wordt dus bepaalt door het genotype, maar de leefstijl en
omgeving heeft ook invloed op het fenotype.
9. Je kan een paar voorbeelden noemen van manieren waarop mutaties ontstaan.
10. Je kent de definitie van de begrippen “variatie”, “mutaties’, “allelen” en “haplotype”.
Variatie: diversiteit.
Mutaties: verandering in het DNA.
Allelen: dergelijke varianten van een gen.
Haplotype: de combinatie waarin de allelen samen op 1 chromosoom voorkomen.
11. Je kan een verband leggen tussen de begrippen “variatie”, “mutaties’, “allelen” en
“haplotype”. (Je kan de definities in een verhaal aan elkaar verbinden).
Op de chromosomen liggen de genen. De genen bevatten de erfelijke informatie over het
organisme. De erfelijke informatie heeft veel variaties. Deze variaties van een gen heten
, allelen. De allelen vormen samen het haplotype. Het DNA kan veranderen. Dit kan komen
door bepaalde stoffen, straling en eigen lichaamswarmte. Dit heet mutatie.
5.2
12. Je weet op welk criterium de chromosomen 1 t/m 22 gerangschikt worden.
Van lang naar kort.
13. Je kan een definitie geven van de begrippen “homologe chromosomen”, “karyotyope”,
“karygram”, “autosomen”, SRY-gen”, “gen” en “geslachtschromosomen”.
Homologe chromosomen: bevatten beide informatie over dezelfde erfelijke informatie, maar
de precieze informatie kan verschillen.
Karyotype: het chromosoomspatroon.
Karyogram: een microschoopfoto van chromosomen.
Autosomen: de eerste 22 paar chromosomen.
SRY-gen: ligt op het y-chromosoom. Zorgt ervoor dat embryo uitgroeit tot een jongen.
Gen: bevat informatie over erfelijke eigenschappen.
Geslachtschromosomen: de x-chromosoom en het y-chromosoom.
14. Je kan aan karyogram lezen en het karyotype interpreteren (je kan zien of het van een man
of vrouw is, van iemand met syndroom van Down, met iemand met het syndroom van
Turner etc.).
Vrouw: 2 gelijke geslachtschromosomen, 2 x-chromosomen. (46, XX)
Man: 2 ongelijke geslachtschromosomen, x-chromosoom en y-chromosoom. (46, XY)
Syndroom van Turner: 1 geslachtschromosoom, x-chromosoom. (45, X)
Syndroom van Down: trisomie, chromosoom-21. (47, XX + , XY + 21)
15. Je kan een karyotype op juiste wijze noteren bijv. voor een man “46, XY”.
( Aantal chromosomen, geslachtschromosomen [ + extra chromosoom] )
16. Je kan uitleggen wat een puntmutaties, genmutaties, genoommutaties en
chromosoommutaties zijn.
Puntmutatie: verandering in 1 basenpaar, onder invloed van omgevingsfactoren.
Genmutatie: verandering van het DNA door een verandering binnen een gen.
Genoommutatie: wijziging in het aantal chromosomen, door fout tijdens meiose.
Chromosoommutatie: een verandering in het erfelijk materiaal, door translocatie.
17. Je kan uitleggen hoe een monosomie of trisomie ontstaat, zowel bij de scheiding van
homologe chromosomen (meiose I) als bij de scheiding van chromatiden (meiose II).
Bij meiose-1 worden de homologe chromosoomparen uitelkaar getrokken in de anafase-1.
Door een fout zijn de homologe chromosoomparen niet uitelkaar gegaan, waardoor er twee
haploide cellen ontstaan met een 24 chromosomen en de ander 21 chromosomen. Er
ontstaat een trisomie en een monosomie.
Tijdens meiose-2 worden de chromosomen en chromatiden uitelkaargetrokken. Dit gebeurt
tijdens anafase-2. Door een fout loopt de scheiding tussen chromosoom en chromatiden niet
goed af, waardoor de chromosoom en chromatiden niet uitelkaar zijn getrokken. Er ontstaat
een cel met 24 chromosomen en een cel met 21 chromosomen. Er ontstaat dus een trisomie
en een monosomie.
1. Je kent de definitie van de begrippen “genotype”, “fenotype” en “genoom”.
Genotype: de genen die je hebt.
Fenotype: waarneembare eigenschappen.
Genoom: geheel van erfelijk materiaal.
2. Je kan uitleggen hoe het genotype van een organisme tot stand komt.
Bij de bevruchting smelten de kernen van de zaadcel en de eicel tot 1 kern. Er ontstaan
homologe chromosomen met erfelijke informatie van elk ouder.
3. Je kan uitleggen hoe het fenotype van een organisme tot stand komt.
Het fenotype wordt gevormd onder invloed van het genotype en van de omgeving en
leefstijl.
4. Je kan uitleggen hoe het genoom van een organisme tot stand komt (o.a. is mitochondriaal
DNA van een organisme afkomstig van de moeder of van de vader?).
Bij de bevruchting smelten de kernen van de zaadcel en de eicel tot 1 kern. Er ontstaan
homologe chromosomen met erfelijke informatie van elk ouder. Deze chromosomen
bevatten erfelijk materiaal wat het genoom vormt.
5. Het mitochondriaal DNA is afkomstig van de moeder. Zowel de eicel als de zaadcel bevat het
mitochondrium, alleen ligt het mitochondrium van de zaadcel in de staart. Die verliest hij bij
de bevruchting.
6. Je kan uitleggen hoe cellen cholesterol opnemen uit het bloed.
Cholesterol komt via vet voedsel in je bloed. In de cellen van je lever en je spieren zijn genen
actief om de cellen cholesterol aan te laten maken. Het bloed vervoert al het hydrofobe
cholesterol in blaasjes. Voor het opnemen van die blaasjes gebruiken de cellen speciale
receptoren. Die maken de endocytose mogelijk.
7. Je kent bron 2.
-
8. Je begrijpt bron 2. Dit betekend dat je kan uitleggen hoe genen invloed kunnen hebben op
de samenstelling van eiwitten in het celmembraan. (En in dit geval, hoe genen invloed
hebben op de cholesterolopname door cellen).
Het genotype (de genen) bepaalt het fenotype (de samenstelling van eiwitten in het
celmembraan). Het fenotype wordt dus bepaalt door het genotype, maar de leefstijl en
omgeving heeft ook invloed op het fenotype.
9. Je kan een paar voorbeelden noemen van manieren waarop mutaties ontstaan.
10. Je kent de definitie van de begrippen “variatie”, “mutaties’, “allelen” en “haplotype”.
Variatie: diversiteit.
Mutaties: verandering in het DNA.
Allelen: dergelijke varianten van een gen.
Haplotype: de combinatie waarin de allelen samen op 1 chromosoom voorkomen.
11. Je kan een verband leggen tussen de begrippen “variatie”, “mutaties’, “allelen” en
“haplotype”. (Je kan de definities in een verhaal aan elkaar verbinden).
Op de chromosomen liggen de genen. De genen bevatten de erfelijke informatie over het
organisme. De erfelijke informatie heeft veel variaties. Deze variaties van een gen heten
, allelen. De allelen vormen samen het haplotype. Het DNA kan veranderen. Dit kan komen
door bepaalde stoffen, straling en eigen lichaamswarmte. Dit heet mutatie.
5.2
12. Je weet op welk criterium de chromosomen 1 t/m 22 gerangschikt worden.
Van lang naar kort.
13. Je kan een definitie geven van de begrippen “homologe chromosomen”, “karyotyope”,
“karygram”, “autosomen”, SRY-gen”, “gen” en “geslachtschromosomen”.
Homologe chromosomen: bevatten beide informatie over dezelfde erfelijke informatie, maar
de precieze informatie kan verschillen.
Karyotype: het chromosoomspatroon.
Karyogram: een microschoopfoto van chromosomen.
Autosomen: de eerste 22 paar chromosomen.
SRY-gen: ligt op het y-chromosoom. Zorgt ervoor dat embryo uitgroeit tot een jongen.
Gen: bevat informatie over erfelijke eigenschappen.
Geslachtschromosomen: de x-chromosoom en het y-chromosoom.
14. Je kan aan karyogram lezen en het karyotype interpreteren (je kan zien of het van een man
of vrouw is, van iemand met syndroom van Down, met iemand met het syndroom van
Turner etc.).
Vrouw: 2 gelijke geslachtschromosomen, 2 x-chromosomen. (46, XX)
Man: 2 ongelijke geslachtschromosomen, x-chromosoom en y-chromosoom. (46, XY)
Syndroom van Turner: 1 geslachtschromosoom, x-chromosoom. (45, X)
Syndroom van Down: trisomie, chromosoom-21. (47, XX + , XY + 21)
15. Je kan een karyotype op juiste wijze noteren bijv. voor een man “46, XY”.
( Aantal chromosomen, geslachtschromosomen [ + extra chromosoom] )
16. Je kan uitleggen wat een puntmutaties, genmutaties, genoommutaties en
chromosoommutaties zijn.
Puntmutatie: verandering in 1 basenpaar, onder invloed van omgevingsfactoren.
Genmutatie: verandering van het DNA door een verandering binnen een gen.
Genoommutatie: wijziging in het aantal chromosomen, door fout tijdens meiose.
Chromosoommutatie: een verandering in het erfelijk materiaal, door translocatie.
17. Je kan uitleggen hoe een monosomie of trisomie ontstaat, zowel bij de scheiding van
homologe chromosomen (meiose I) als bij de scheiding van chromatiden (meiose II).
Bij meiose-1 worden de homologe chromosoomparen uitelkaar getrokken in de anafase-1.
Door een fout zijn de homologe chromosoomparen niet uitelkaar gegaan, waardoor er twee
haploide cellen ontstaan met een 24 chromosomen en de ander 21 chromosomen. Er
ontstaat een trisomie en een monosomie.
Tijdens meiose-2 worden de chromosomen en chromatiden uitelkaargetrokken. Dit gebeurt
tijdens anafase-2. Door een fout loopt de scheiding tussen chromosoom en chromatiden niet
goed af, waardoor de chromosoom en chromatiden niet uitelkaar zijn getrokken. Er ontstaat
een cel met 24 chromosomen en een cel met 21 chromosomen. Er ontstaat dus een trisomie
en een monosomie.