§17.1
1. De bouw en functie van DNA, mRNA, tRNA, mtDNA en rRNA beschrijven en benoemen en
hiervan de verbanden en verschillen herkennen. (R)
DNA: bevat alle erfelijke informatie, dubbelstrengs.
mRNA: messenger RNA, spreekt centrale rol tot expressie genetische informatie,
enkelstrengs.
tRNA: translatie van mRNA naar aminozuren.
mtDNA: mitochondriaal DNA. Codeert eiwitten die betrokken zijn bij aerobe
dissimilatie. Ringvormig.
rRNA: ribosomaal RNA. Katalyseren van reactie die de eiwitketen verlengt.
2. De rol van histonen uitleggen in relatie tot activiteit van het DNA (T2).
Histonen verstevigen en beschermen de DNA-moleculen bij eukaryoten in de kern.
Het DNA is eromheen gerold.
3. De verschillen tussen niet-coderend, coderend DNA en repetetief DNA uitleggen. (T1)
Niet-coderend DNA: produceert rRNA en tRNA of regelt het aan en uitschakelen van
genen in het coderende DNA.
Coderend DNA: DNA dat genen codeert tot uiting.
Repetitief DNA: herhaling series van nucleotiden, komt vooral voor in niet-coderend.
4. Uitleggen hoe STR’s gebruikt worden in het opstellen van een DNA-profiel. (R)
Het aantal aaneengekoppelde STR’s verschilt per persoon. Er wordt gekeken naar de
allelen.
§17.2
5. DNA-replicatie beschrijven en uitleggen hoe Okazaki fragmenten hierin van belang zijn. (R)
Een okazaki-fragment is een relatief kort DNA-fragment op de antiparallelle streng.
Hierdoor vormt er stapsgewijs een kopie van de streng.
6. De 3’ en 5’ uiteinden van DNA bepalen. (R)
Aan het einde van een 5’-streng zit er een 3’ en vica versa.
7. Uitleggen hoe DNA-fragmenten m.b.v. PCR-techniek zijn zichtbaar te maken.
De PCR vindt plaats in een machine die nauwkeurig van temperatuur wisselt. Bij 95°C
verbreken de H-bruggen. Bij 52°C binden DNA-primers aan de 3’-einden van beide
strengen. Bij 72°C graden verlengt taq-polymerase het DNA-fragment. Iedere cyclus
ontstaan er nieuwe strengen vanaf de primers. Via gelelektroforese worden de DNA-
fragmenten gerangschikt van klein naar groot.
§17.3
8. Beschrijven hoe polypeptideketens ontstaan door transcriptie en translatie te beschrijven.
(R)
Tijdens de transcriptie verlaat het mRNA de celkern. Het mRNA gaat vervolgens naar
de ribosomen toe. rRNA is een enzym die ervoor zorgt dat het mRNA sneller gelezen.
Dat gebeurt door het tRNA. Het tRNA vervoert aminozuren vanuit het cytoplasma
naar zijn toebehorende plek op het mRNA. Het tRNA zal de bijbehorende aminozuur
met zich meedragen. Het tRNA schuift vervolgens op doordat het leest van 5’ -> 3’
waardoor er een polypeptideketen ontstaat. Dat gebeurt na een stopcodon.
9. De bouw van een gen beschrijven. (R)
Een gen bestaat uit twee allelen. Het bestaat uit meerdere nucleotiden.
§17.4
10. Uitleggen hoe de nucleïnebasenvolgorde in DNA is te bepalen en aan te passen. (R)
11. Het ontstaan van mutaties en het effect op het fenotype beschrijven. (R, T1)
1. De bouw en functie van DNA, mRNA, tRNA, mtDNA en rRNA beschrijven en benoemen en
hiervan de verbanden en verschillen herkennen. (R)
DNA: bevat alle erfelijke informatie, dubbelstrengs.
mRNA: messenger RNA, spreekt centrale rol tot expressie genetische informatie,
enkelstrengs.
tRNA: translatie van mRNA naar aminozuren.
mtDNA: mitochondriaal DNA. Codeert eiwitten die betrokken zijn bij aerobe
dissimilatie. Ringvormig.
rRNA: ribosomaal RNA. Katalyseren van reactie die de eiwitketen verlengt.
2. De rol van histonen uitleggen in relatie tot activiteit van het DNA (T2).
Histonen verstevigen en beschermen de DNA-moleculen bij eukaryoten in de kern.
Het DNA is eromheen gerold.
3. De verschillen tussen niet-coderend, coderend DNA en repetetief DNA uitleggen. (T1)
Niet-coderend DNA: produceert rRNA en tRNA of regelt het aan en uitschakelen van
genen in het coderende DNA.
Coderend DNA: DNA dat genen codeert tot uiting.
Repetitief DNA: herhaling series van nucleotiden, komt vooral voor in niet-coderend.
4. Uitleggen hoe STR’s gebruikt worden in het opstellen van een DNA-profiel. (R)
Het aantal aaneengekoppelde STR’s verschilt per persoon. Er wordt gekeken naar de
allelen.
§17.2
5. DNA-replicatie beschrijven en uitleggen hoe Okazaki fragmenten hierin van belang zijn. (R)
Een okazaki-fragment is een relatief kort DNA-fragment op de antiparallelle streng.
Hierdoor vormt er stapsgewijs een kopie van de streng.
6. De 3’ en 5’ uiteinden van DNA bepalen. (R)
Aan het einde van een 5’-streng zit er een 3’ en vica versa.
7. Uitleggen hoe DNA-fragmenten m.b.v. PCR-techniek zijn zichtbaar te maken.
De PCR vindt plaats in een machine die nauwkeurig van temperatuur wisselt. Bij 95°C
verbreken de H-bruggen. Bij 52°C binden DNA-primers aan de 3’-einden van beide
strengen. Bij 72°C graden verlengt taq-polymerase het DNA-fragment. Iedere cyclus
ontstaan er nieuwe strengen vanaf de primers. Via gelelektroforese worden de DNA-
fragmenten gerangschikt van klein naar groot.
§17.3
8. Beschrijven hoe polypeptideketens ontstaan door transcriptie en translatie te beschrijven.
(R)
Tijdens de transcriptie verlaat het mRNA de celkern. Het mRNA gaat vervolgens naar
de ribosomen toe. rRNA is een enzym die ervoor zorgt dat het mRNA sneller gelezen.
Dat gebeurt door het tRNA. Het tRNA vervoert aminozuren vanuit het cytoplasma
naar zijn toebehorende plek op het mRNA. Het tRNA zal de bijbehorende aminozuur
met zich meedragen. Het tRNA schuift vervolgens op doordat het leest van 5’ -> 3’
waardoor er een polypeptideketen ontstaat. Dat gebeurt na een stopcodon.
9. De bouw van een gen beschrijven. (R)
Een gen bestaat uit twee allelen. Het bestaat uit meerdere nucleotiden.
§17.4
10. Uitleggen hoe de nucleïnebasenvolgorde in DNA is te bepalen en aan te passen. (R)
11. Het ontstaan van mutaties en het effect op het fenotype beschrijven. (R, T1)