Hoofdstuk 16 16
Hoofdstuk
De verleden tijd van de modale werkwoorden
Hoofdregel: ich - Te
du - Test
er/sie/es - Te
wir - Ten In wil of wens van
ihr - Tet anderen
sie/Sie - ten
Dürfen Können Mögen Müssen Sollen Wollen Wissen
(mogen (kunnen (leuk) (moeten (moeten (willen) (weten)
) ) ) )
Ich Durfte Konnte Mochte Musste Sollte Wollte Wusste
Du Durftes Konntes Mochtes Musstes Solltest Wolltes Wusstes
t t t t t t
Er/sie/ Durfte Konnte Mochte Musste Sollte Wollte Wusste
-
Müssen en
es sollen
wir Durften Konnten Mochten Mussten Sollten Wollten Wussten betekenen
allebei
Ihr Durftet Konntet Mochtet Musstet Solltet Wolltet Wusstet ‘moeten’. Je
gebruikt
Sie/sie durften konnten mochten Mussten Sollten Wollten Wussten sollen als het
over de wil of een wens van iemand anders is dat moet gebeuren of als je naar de wens van iemand anders informeert.
Voor de rest gebruik je müssen.
Voegwoorden
De voegwoorden zijn;
Dass - dat
Ob - of
Wenn - als, indien
Wann - wanneer
Weil - omdat
Nachdem - nadat
Obwohl - hoewel
Als - toen
Bevor - voordat
denn - want
- Notatie: in een bijzin staat de persoonsvorm op het einde van de zin behalve als je het voegwoord denn (want) in de zin
hebt, dan moet het achter het onderwerp.
Hoofdstuk
De verleden tijd van de modale werkwoorden
Hoofdregel: ich - Te
du - Test
er/sie/es - Te
wir - Ten In wil of wens van
ihr - Tet anderen
sie/Sie - ten
Dürfen Können Mögen Müssen Sollen Wollen Wissen
(mogen (kunnen (leuk) (moeten (moeten (willen) (weten)
) ) ) )
Ich Durfte Konnte Mochte Musste Sollte Wollte Wusste
Du Durftes Konntes Mochtes Musstes Solltest Wolltes Wusstes
t t t t t t
Er/sie/ Durfte Konnte Mochte Musste Sollte Wollte Wusste
-
Müssen en
es sollen
wir Durften Konnten Mochten Mussten Sollten Wollten Wussten betekenen
allebei
Ihr Durftet Konntet Mochtet Musstet Solltet Wolltet Wusstet ‘moeten’. Je
gebruikt
Sie/sie durften konnten mochten Mussten Sollten Wollten Wussten sollen als het
over de wil of een wens van iemand anders is dat moet gebeuren of als je naar de wens van iemand anders informeert.
Voor de rest gebruik je müssen.
Voegwoorden
De voegwoorden zijn;
Dass - dat
Ob - of
Wenn - als, indien
Wann - wanneer
Weil - omdat
Nachdem - nadat
Obwohl - hoewel
Als - toen
Bevor - voordat
denn - want
- Notatie: in een bijzin staat de persoonsvorm op het einde van de zin behalve als je het voegwoord denn (want) in de zin
hebt, dan moet het achter het onderwerp.