- Keuzevoorzetsels 3e/4e naamval
- Persoonlijk vnw 1e, 3e & 4e
naamval
- Sterke werkwoorden
Hoofdstuk 10 en 11
Keuzevoorzetsels
an, auf, hinter, in, neben, unter, über, vor, zwischen.
Geen beweging van A B;
- Ergens bevinden en blijven
- Een bestaande toestand (omscshrijving van iets dat
het geen beweging is)
- Een rust (staan, zitten, liggen) 3e nv.
- Een beweging binnen 1 bepaalde ruimte Regels
- Keuzevoorzetstels in tijdsbepalingen. toepassen
Wel beweging van A B;
- Als iemand naar je toe komt
- Een ontstaande toestand (beschrijven dat iets wel
een beweging is)
4e nv.
- Een richting
- Een beweging op een doel gericht
Persoonlijke voornaamwoorden
Ik, mij Jij, jou hij, hem Zij, haar het Hij, jullie Zij, hun, hen u
ons
1e ich du er sie es wir ihr sie Sie
3e mir dir ihm ihr ihm uns euch ihnen Ihnen
4e mich dich ihn sie es uns euch sie Sie
1e nv gebruik je voor het onderwerp;
- Wo seid ihr? waar zijn jullie? Ond.
- Können Sie das bitte wiederholen? Kunt u dat alstublieft herhalen? Ond.
3e nv gebruik je voor het meewerkend voorwerp of als er een voorzetsel met 3e nv/
keuzevoorzetsel (3e of 4e nv) voor staat;
- Er hat mir das Buch gegeben Hij heeft mij een boek gegeven mv.
- Von dir hatte ich das nicht erwartet Van jou had ik dat niet verwacht voorzetsel 3 e nv
- Wer sitzt neben Ihnen? Wie zit er naast u? keuzevoorzetsel
4e nv gebruik je bij lijdend voorwerp of als er een voorzetsel met 4e nv/ keuzevoorzetsel (3e
of 4e nv) voor staat;
- Soll ich dich abholen? Zal ik jou ophalen? Lijdend voorwerp
- Ist das Geschenk für ihn? Is dat cadeau voor hem? Voorzetsel 4e nv
- Dürfen wir neben Sie setzen? Mogen we naast u gaan zitten? Keuzevoorzetsel
- Persoonlijk vnw 1e, 3e & 4e
naamval
- Sterke werkwoorden
Hoofdstuk 10 en 11
Keuzevoorzetsels
an, auf, hinter, in, neben, unter, über, vor, zwischen.
Geen beweging van A B;
- Ergens bevinden en blijven
- Een bestaande toestand (omscshrijving van iets dat
het geen beweging is)
- Een rust (staan, zitten, liggen) 3e nv.
- Een beweging binnen 1 bepaalde ruimte Regels
- Keuzevoorzetstels in tijdsbepalingen. toepassen
Wel beweging van A B;
- Als iemand naar je toe komt
- Een ontstaande toestand (beschrijven dat iets wel
een beweging is)
4e nv.
- Een richting
- Een beweging op een doel gericht
Persoonlijke voornaamwoorden
Ik, mij Jij, jou hij, hem Zij, haar het Hij, jullie Zij, hun, hen u
ons
1e ich du er sie es wir ihr sie Sie
3e mir dir ihm ihr ihm uns euch ihnen Ihnen
4e mich dich ihn sie es uns euch sie Sie
1e nv gebruik je voor het onderwerp;
- Wo seid ihr? waar zijn jullie? Ond.
- Können Sie das bitte wiederholen? Kunt u dat alstublieft herhalen? Ond.
3e nv gebruik je voor het meewerkend voorwerp of als er een voorzetsel met 3e nv/
keuzevoorzetsel (3e of 4e nv) voor staat;
- Er hat mir das Buch gegeben Hij heeft mij een boek gegeven mv.
- Von dir hatte ich das nicht erwartet Van jou had ik dat niet verwacht voorzetsel 3 e nv
- Wer sitzt neben Ihnen? Wie zit er naast u? keuzevoorzetsel
4e nv gebruik je bij lijdend voorwerp of als er een voorzetsel met 4e nv/ keuzevoorzetsel (3e
of 4e nv) voor staat;
- Soll ich dich abholen? Zal ik jou ophalen? Lijdend voorwerp
- Ist das Geschenk für ihn? Is dat cadeau voor hem? Voorzetsel 4e nv
- Dürfen wir neben Sie setzen? Mogen we naast u gaan zitten? Keuzevoorzetsel