Hoofdstuk 4
Persoonlijke voornaamwoorden
Met nadruk
Vorm moi, toi, lui, elle, nous, vous, eux en elles
Gebruik:
1. Vraagzin einde van de zin (Tu aimes les moules toi? Houd jij van mosselen?)
Normale zin begin van de zin (Moi, j’adore les moules! IK ben dol op
mosselen!)
2. Na c’est (oui, c’est lui ja dat is hem)
3. Als er geen werkwoord in de zin staat (Qui a fait cela? LUI ! Wie heeft dat gedaan?
HIJ !)
4. Na een voorzetsel (avec, chez, pour, devant, derrière, entre…) behalve het
voorzetsel à
Lijdend voorwerp
Vorm me/ m’, te/ t’, le/ l’, la/ l’, nous, vous, les, les
Gebruik: Vervangt een lijdendvoorwerp (wie/wat + gezegde + onderwerp)
Plaats: VOOR de persoonsvorm (vervoegd werkwoord) behalve als er een heel werkwoord in
de zin staat
Oui, je l’ai vu ja, ik heb hem gezien.
(vu is geen heel werkwoord dus moet l’ voor het gezegde)
Oui, je vais le lire ja, ik ga het lezen.
(lire is een heel werkwoord en dan moet le tussen het gezegde staan)
Meewerkend voorwerp
Vorm me/ m’, te/ t’, lui, lui, nous, vous, leur, leur
Gebruik: na een werkwoord met het voorzetsel à. (parler à = praten met, donner à = geven
aan, écrire à = schriven naar…)
Plaats: VOOR de persoonsvorm (vervoegd werkwoord) behalve als er een heel werkwoord in
de zin staat
Tu vas parler à ton prof? ga je met je docent praten?
(door de à weet je dat je ‘ton prof’ moet gaan vervangen)
Oui, je vais lui parler ja, ik ga met hem (of haar) praten.
Tout
In combinatie met een zelfstandig naamwoord
Je moet tout aanpassen door de vorm van het zelfstandig naamwoord
Mannelijk / enkel tout le groupe = de hele groep
Vrouwelijk/enk toute la classe = de hele klas
Mannelijk/ meerv tous les garçons = alle jongens
Vrouwelijk/ meerv toutes les filles = alle meisjes
Tout zelfstandig gebruiken
Il sait tout! = hij weet alles
(mannelijk enkelvoud)
Tu veux ces pommes? Oui, je les veux toutes. Ja, ik wil ze allemaal.
( pommes is vrouwelijk/meervoud)
Persoonlijke voornaamwoorden
Met nadruk
Vorm moi, toi, lui, elle, nous, vous, eux en elles
Gebruik:
1. Vraagzin einde van de zin (Tu aimes les moules toi? Houd jij van mosselen?)
Normale zin begin van de zin (Moi, j’adore les moules! IK ben dol op
mosselen!)
2. Na c’est (oui, c’est lui ja dat is hem)
3. Als er geen werkwoord in de zin staat (Qui a fait cela? LUI ! Wie heeft dat gedaan?
HIJ !)
4. Na een voorzetsel (avec, chez, pour, devant, derrière, entre…) behalve het
voorzetsel à
Lijdend voorwerp
Vorm me/ m’, te/ t’, le/ l’, la/ l’, nous, vous, les, les
Gebruik: Vervangt een lijdendvoorwerp (wie/wat + gezegde + onderwerp)
Plaats: VOOR de persoonsvorm (vervoegd werkwoord) behalve als er een heel werkwoord in
de zin staat
Oui, je l’ai vu ja, ik heb hem gezien.
(vu is geen heel werkwoord dus moet l’ voor het gezegde)
Oui, je vais le lire ja, ik ga het lezen.
(lire is een heel werkwoord en dan moet le tussen het gezegde staan)
Meewerkend voorwerp
Vorm me/ m’, te/ t’, lui, lui, nous, vous, leur, leur
Gebruik: na een werkwoord met het voorzetsel à. (parler à = praten met, donner à = geven
aan, écrire à = schriven naar…)
Plaats: VOOR de persoonsvorm (vervoegd werkwoord) behalve als er een heel werkwoord in
de zin staat
Tu vas parler à ton prof? ga je met je docent praten?
(door de à weet je dat je ‘ton prof’ moet gaan vervangen)
Oui, je vais lui parler ja, ik ga met hem (of haar) praten.
Tout
In combinatie met een zelfstandig naamwoord
Je moet tout aanpassen door de vorm van het zelfstandig naamwoord
Mannelijk / enkel tout le groupe = de hele groep
Vrouwelijk/enk toute la classe = de hele klas
Mannelijk/ meerv tous les garçons = alle jongens
Vrouwelijk/ meerv toutes les filles = alle meisjes
Tout zelfstandig gebruiken
Il sait tout! = hij weet alles
(mannelijk enkelvoud)
Tu veux ces pommes? Oui, je les veux toutes. Ja, ik wil ze allemaal.
( pommes is vrouwelijk/meervoud)