Het ZBMO-model staat voor Zender ⇒ Boodschap ⇒ Medium ⇒ Ontvanger
Zender: De zender is iemand die de boodschap stuurt.
Ontvanger: De ontvanger is iemand die de boodschap ontvangt
Boodschap: De boodschap is datgene dat de zender de ontvanger duidelijk wil maken.
Medium: Het medium zit tussen de zender en ontvanger in: bijvoorbeeld de televisie, radio of
het internet.
Coderen: Coderen is het verpakken van de boodschap; hoe beter dit gebeurt, hoe meer de
boodschap opvalt.
Decoderen: Decoderen is het uitpakken van de boodschap.
Redundantie: Het overbodig zijn van dingen.
Ruis: Ruis is verstoring van het communicatieproces en kan op ruis verschillende plaatsen in
het proces optreden, waardoor de boodschap verkeerd wordt begrepen.
Feedback: evaluerende reactie achteraf.
Soorten communicatie:
1. Verbale en non-verbale communicatie: Verbale communicatie is schrijven en
spreken. Non-verbale communicatie omvat alle vormen van communicatie met
uitzondering van het gesproken of geschreven woord.
2. Intrapersoonlijke communicatie: Intrapersoonlijke communicatie is communicatie
die een persoon met zichzelf voert.