Hoofdstuk 1
Consumenten en producenten
Welvaart= hoe kan de voorziening in goederen en diensten zo optimaal mogelijk geschieden, dat wil zeggen met
zo gering mogelijke opoffering van middelen
Algemene economie= bestudeert de relaties tussen consumenten en producenten en tussen de producenten
onderling. Daarbij kan een onderscheid worden gemaakt tussen micro-economie(marktvormen) en de macro-
economie(economische problemen van de maatschappij als geheel)
Bedrijfseconomie= richt zich op het economisch handelen binnen de productieorganisaties. Het gaat niet alleen
om de productie van fysieke goederen, maar ook om de handel en het verlenen van diensten(autofabriek,
autohandel en autoreparateur).
Onderneming= productieorganisaties die erop gericht zijn om ‘op de markt’ inkomen te verdienen voor hun
eigenaren, zij streven naar winst. In een productieorganisatie worden productiemiddelen bij elkaar gebracht en
vervolgens in een productieproces omgezet in producten. Het opereert tussen twee markten: inkoopmarkt waar
productiemiddelen worden verkregen en de verkoopmarkt waar de geproduceerde goederen verkocht worden. De
productieorganisatie is een samenwerkingsverband van de productiefactoren arbeid en kapitaal. Het
samenwerkingsverband kan een formeel karakter hebben, waarbij de rechten en plichten van de bij de
organisatie betrokken participanten schriftelijk zijn vastgelegd: in de statuten en in de taakomschrijvingen worden
dan de bevoegdheden van aandeelhouders, directie en medewerkers opgetekend.
Een onderneming streeft naar winst
Een onderneming neemt aan het economische proces deel om er beter van te worden. De grootte van de winst is
afhankelijk van enerzijds de efficiency en anderzijds de effectiviteit van het ondernemingsproces.
Efficiency= de doelmatigheid van het productieproces, met zo gering mogelijke kosten een gegeven hoeveelheid
produceren. De kostprijs is een maatstaf voor efficiency.
Effectiviteit= de doelgerichtheid van het productieproces, de mate waarin het eindproduct geschikt is om te
voldoen aan de eisen van de afnemers. Het eindproduct is in trek bij de klanten, er wordt graag voor betaald.
Omzet is de maatstaf voor effectiviteit.
Waardecreatie= de prijs die zij op de inkoopmarkt betaalt voor de productiefactoren zal meer dan goedgemaakt
dienen te worden door de opbrengst van de verkoop van de geproduceerde goederen of diensten
Productiemiddelen= kunnen bestaan uit grondstoffen/natuur en uit machines, gebouwen en dergelijke. Deze
laatste worden duurzame productiemiddelen genoemd omdat zij in tegenstelling tot de grondstoffen gedurende
langere tijd hun diensten aan de onderneming bewijzen. Arbeidskracht is ook een productiemiddel.
Kapitaal= de grondstoffen en duurzame productiemiddelen van de onderneming
Continuïteit= het is belangrijk voor de onderneming dat het winststreven ook vanuit langetermijnperspectief
bezien wordt.
Mission statement= hierin presenteren ondernemingen welke doelen zij stellen, winststreven komt hier niet aan
de orde, wel zaken als zorg voor het milieu.
Profit- en non-profitorganisaties
Overheidssector= bestaat uit het Rijk, de provincies, gemeenten en waterschappen. De overheid levert vooral
collectieve goederen, dit zijn voorzieningen die tot stand gebracht worden voor de bevolking als geheel, zoals de
infrastructuur. Deze voorzieningen kunnen niet door ondernemingen voortgebracht worden, het
marktmechanisme werkt hier niet: consumenten kunnen niet alleen voor zichzelf een stukje bescherming tegen
hoog water kopen. Bij collectieve goederen wordt daarom het budgetmechanisme ingeschakeld: de overheid heft
gedwongen bijdragen(belastingen) en stelt een budget beschikbaar waarmee de productie van de collectieve
goederen kan worden gefinancierd.
Privatisering= activiteiten die zich daartoe lenen, worden losgemaakt van de overheidsorganisatie en moeten ‘op
de markt’ hun bestaan bewijzen
Particuliere non-profitorganisaties= bestaan uit meerdere organisaties zoals amateursportverenigingen en
goede doelen. Deze worden ook wel fondsenwervende instellingen genoemd, omdat zij proberen geld in te
zamelen om een bepaald maatschappelijk nastrevenswaardig doel te bereiken. Organisaties in de non-
profitsector verschillen in de volgende opzichten van ondernemingen:
- Non-profitinstellingen hebben als doel om bepaalde(maatschappelijk van belang geachte) voorzieningen
tot stand te brengen. De activiteiten die zij verrichten zijn dus onlosmakelijk verbonden met dat doel.
- Non-profitorganisaties kunnen normaliter niet voortbestaan door zakelijke markttransacties uit te voeren
en zijn dus in tegenstelling tot ondernemingen economisch niet zelfstandig. Zij zijn afhankelijk van
bijdragen in de vorm van contributies, donaties en subsidies.
- De beoordeling van de effectiviteit is bij non-profitinstellingen veel moeilijker dan bij ondernemingen
Ondernemingsactiviteiten
, Er kan een globale indeling gemaakt worden naar de aard van het omzettingsproces:
- Landbouw en extractie
Ondernemingen in deze sector maken gebruik van ‘rijkdommen van de natuur’. Met relatief weinig grondstof
wordt een grote hoeveelheid eindproduct verkregen. De kosten van het zaaigoed van een landbouwer maken
slechts een zeer gering percentage uit van de opbrengst van oogst. De duurzame productiemiddelen zijn wel zeer
belangrijk: de landbouwgrond voor de agrariër, de vergunning voor de mijn of het olieveld.
- Industrie
Industriële ondernemingen creëren een fysiek, tastbaar product, dat vóór de productie in die vorm nog niet
bestond. Het belang van de drie ‘inputs’(grondstof, duurzame productiemiddelen en menselijke arbeidskracht)
voor een industriële onderneming hangt af van het soort onderneming. Er kan een onderscheid gemaakt worden
tussen massaproductie en stukproductie.
Stukproductie= wordt maatwerk geleverd, elk product is afgestemd op de specifieke wensen van de klant. Eerst
wordt de verkoop verricht en daarna begint de productie.
Massaproductie= wordt één soort product gemaakt in grote hoeveelheden. Wordt geen rekening gehouden met
de klant en er wordt geproduceerd op voorraad.
Stukproductie Massaproductie
Maatwerk Standaardproduct
Bestemd voor één bepaalde klant Bestemd voor de ‘markt’
Op bestelling Op voorraad
Serie-stukproductie= houdt men vast aan de gedachte dat de klant zijn eigen individueel bepaalde product
krijgt, maar probeert men kosten te besparen door de componenten van het product in grotere aantallen(en dus
goedkoper) te produceren.
Serie-massaproductie= worden er varianten of modellen van het standaardproduct geproduceerd, waarbij eens
in de zoveel tijd de machines omgesteld dienen te worden naar de betreffende variant.
- Handel
Handelsondernemingen produceren geen nieuwe producten, er is dus geen transformatieproces.
Handelsondernemingen ontlenen hun bestaansrecht aan het feit dat er geen gelijkheid is tussen productie en
consumptie. Deze ongelijkheid kan betrekking hebben op:
1. De grootte van de productie en consumptie
2. De samenstelling van de productie en consumptie
3. Het tijdstip van de productie en consumptie
4. De plaats van de productie en consumptie
Het transformatieproces bij de handel houdt dus een transformatie naar grootte, assortiment, tijd en plaats in.
Groothandel= koopt in bij de fabrikant en verdeelt de ingekochte partijen over de detailhandel. Het wordt
gekarakteriseerd door ‘business-to-business’: zowel de leveranciers als de klanten zijn bedrijven. Om zijn
zelfstandige functie in het economisch leven waar te maken, zal de groothandel vooral sterk moeten zijn in het
zorg dragen dat de juiste producten op de juiste tijd in de winkel liggen. Dat vereist belangrijke investeringen in
logistieke systemen.
Detailhandel= de laatste schakel, de detailhandel levert rechtstreeks aan de eindverbruiker van de goederen: de
consument
De kosten van de handel bestaan voor een belangrijk deel uit de ingekochte handelsgoederen, daarnaast worden
natuurlijk duurzame productiemiddelen ingezet. Ook de kosten van menselijke arbeid zijn belangrijk.
- Dienstverlening
Ondernemingen verrichten prestaties voor hun klanten zonder dat zij een nieuw concreet goed vervaardigen, of
een bestaand goed overdragen. Hieronder vallen bedrijven van zeer uiteenlopende aard:
- Financiële dienstverlening
- Horeca
- Transport
- ICT-dienstverlening
- Facilitaire dienstverlening
Kenmerkend is dat er bij dienstverlening nauwelijks of geen grondstoffen worden ingekocht bij leveranciers. De
duurzame productiemiddelen zijn daarentegen zeer belangrijk. De arbeidskosten vormen bijna altijd een
belangrijke kostenpost; de dienstverlening is een ‘peoples business’.
Rechtsvormen van ondernemingen
Een onderneming heeft een rechtsvorm. Door de keuze van de rechtsvorm wordt vastgelegd hoe de juridische
relaties binnen de onderneming en tussen de onderneming en de buitenwereld in elkaar zitten.
Er kan een hoofdindeling worden gemaakt tussen rechtsvormen waarbij de onderneming rechtspersoonlijkheid
heeft en rechtsvormen waarbij dat niet het geval is.
,Rechtspersoonlijkheid= als de onderneming rechtspersoon is, wordt zij zelf als partij beschouwd in de juridische
overneemkomsten die het zakendoen met zich meebrengt. Zij kan personeel aannemen, een
verkoopovereenkomst sluiten en geld lenen bij de bank. Uiteraard zijn er mensen nodig om deze overeenkomsten
namens de rechtspersoon af te sluiten. Als een onderneming geen rechtspersoon is, dan is de eigenaar-
exploitant degene op wiens naam de overeenkomsten worden aangegaan.
- Eenmanszaak
Als een onderneming geen rechtspersoonlijkheid heeft en eigendom is van één persoon. De exploitant van een
eenmanszaak is zowel leider als eigenaar. Hij is eigenaar omdat hij het vermogen verstrekt heeft waarmee de
onderneming gedreven wordt. Daarnaast kunnen er ook leningen worden afgesloten, maar die geven de
schuldeiser(meestal een bank) geen formele zeggenschapsrechten.
Uiteraard kunnen in een eenmanszaak wel meerdere personen werkzaam zijn, maar die anderen zijn dan
personeelsleden. Een eenmanszaak staat of valt met de persoon van de ondernemer; als die wegvalt is er ook
geen onderneming meer. Als de ondernemer niet meer actief kan zijn in de onderneming, zal gezocht moeten
worden naar een opvolger. Een onderneming kan gefinancierd worden door eigen vermogen(vermogen van
eigenaar) of vreemd vermogen(leningen).
Aangezien de ondernemer de persoon is die de juridische overeenkomsten afsluit, en niet de eenmanszaak, is
die ondernemer aansprakelijk voor de schulden die uit het ondernemen voortvloeien. De winst die behaald wordt
met de eenmanszaak wordt belast met inkomstenbelasting bij de ondernemer. De inkomstenbelasting bestaat in
feite uit drie verschillende belastingen(boxen).
Ondernemingswinst wordt belast in box 1 die een oplopend schijventarief kent, waarin naast de
inkomstenbelasting ook een premiebedrag voor de volksverzekeringen(met name ingevolge de Algemene
ouderdomswet) is begrepen. Ondernemers hebben recht op verschillende fiscale faciliteiten. Een van de gunstige
regelingen is de zelfstandigenaftrek= waardoor ondernemers een bedrag op hun winst in aftrek mogen brengen
dat groter is naarmate de winst kleiner is.
Voor de winst die daarna overblijft, geldt dat 12% is vrijgesteld van belasting. Elke belastingplichtige voor de
inkomstenbelasting heeft bovendien recht op een korting op het te betalen belastingbedrag. De algemene
heffingskorting bedraagt €1987, -, terwijl iedereen die inkomsten uit arbeid geniet bovendien recht heeft op een
arbeidskorting van €1574,-.
Boekhoudverplichting= alle ondernemers hebben een wettelijke verplichting om een administratie bij te houden,
deze geeft de belastingdienst de mogelijkheid om de aangifte van de ondernemer te controleren.
De eigenaar van de eenmanszaak is niet verplicht om de financiële positie van zijn onderneming openbaar te
maken, hij heeft geen publicatieplicht.
- Personenvennootschap
Als twee of meer personen besluiten om samen een onderneming te gaan exploiteren, dan heeft die de
rechtsvorm van personenvennootschap.
Hiervan bestaan drie varianten:
1. De niet-openbare vennootschap= bij dit samenwerkingsverband treden de deelnemers(vennoten) niet
onder gemeenschappelijke naam naar buiten.
2. De openbare vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid(ov)= de vennoten opereren wel onder
een gemeenschappelijke naam, omdat de ov geen rechtspersoonlijkheid heeft, dienen verbintenissen
door de vennoten te worden aangegaan.
3. De openbare vennootschap met rechtspersoonlijkheid(ovr)= de vennoten opereren onder een
gemeenschappelijke naam en verbintenissen kunnen worden aangegaan op naam van de ovr.
de leiding van de onderneming berust bij de gezamenlijke vennoten.
- Het voordeel daarvan is dat ieder zijn eigen specifieke deskundigheid kan hebben en dat onderling
overleg kan leiden tot betere beslissingen
- Kan leiden tot meningsverschillen
- Mogelijkheden tot het verkrijgen van extra vermogen zijn groter dan bij de eenmanszaak, doordat een
nieuwe vennoot de mogelijkheid kan worden gegeven zich ‘in te kopen’ in de vennootschap
- De personenvennootschap kent een afgescheiden vermogen, dat betekent dat zakelijke schuldeisers
voorrang hebben op privéschuldeisers van de vennoten als het gaat om het te gelde maken van dat
vermogen in geval van non-betaling
- De vennoten zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van de onderneming, dat wil zeggen dat een
schuldeiser van de onderneming van ieder van de vennoten mag eisen dat zij de volledige schuld
voldoen
- Fiscaal bestaat de personenvennootschap niet, elk der vennoten wordt geacht(voor zijn of haar
winstaandeel) een aparte onderneming te drijven. Over dit winstaandeel wordt belasting geheven in box
1
- De personenvennootschap heeft geen publicatieplicht van haar financiële gegevens
- Bij gewone vennootschap geldt dat leiding en eigendom berusten bij dezelfde personen
,Commanditaire vennootschap= vindt er een gedeeltelijke scheiding plaats tussen leiding en eigendom: bij die
rechtsvorm zijn er vennoten(de stille vennoten of commanditaire vennoten) die wel eigenaar zijn omdat ze eigen
vermogen ter beschikking hebben gesteld, maar die niet belast zijn met de leiding van de onderneming.
Daarnaast zijn er de beherende vennoten, die zowel leider als (mede-)eigenaar zijn. Een voordeel van de
commanditaire vennootschap is dat extra vermogen kan worden aangetrokken zonder dat er een leider bij komt,
zodat er minder kans is op bestuursconflicten.
De commanditaire vennoten kunnen niet met hun privévermogen aansprakelijk gesteld worden voor de
ondernemingsschulden. Ook de commanditaire vennoten worden belast in box 1 van de inkomstenbelasting. Ze
kunnen echter geen recht doen gelden op de ondernemingsfaciliteiten.
- Kapitaalvennootschap
Een kapitaalvennootschap kan de vorm aannemen van een besloten vennootschap met beperkte
aansprakelijkheid(bv) of een naamloze vennootschap(nv); dit zijn rechtspersonen. Bij bv en nv heeft zich een
scheiding tussen eigendom en leiding voltrokken.
Het eigen vermogen is verdeeld in aandelen. De gezamenlijke aandeelhouders vormen de algemene vergadering
van aandeelhouders(AvA). Zij vormen de hoogste macht in de onderneming doordat alle belangrijke beslissingen,
zoals de benoeming van de directie, bij hen berusten.
De dagelijkse leiding is in handen van de directie. Eventueel kan er nog een derde orgaan zijn: de raad van
commissarissen(RvC). Deze houdt namens de aandeelhouders toezicht op de directie.
Bv en nv kunnen extra eigen vermogen verkrijgen doordat de AvA beslist om de gemaakte winst niet uit te keren,
maar in het bedrijf te houden. Het is ook mogelijk om nieuwe uitdelen uit te geven.
Over de winst van bv en nv wordt zowel belasting geheven bij de vennootschap als bij de aandeelhouders. De
winst van bv en nv wordt getroffen door vennootschapsbelasting. Aan werknemers betaalde salarissen
verminderen de winst. De werknemers worden voor hun salaris belast in box 1 van de inkomstenbelasting.
De aandeelhouder betaalt inkomstenbelasting.
Aanmerkelijkbelanghouder= een aandeelhouder die ten minste 5% van het aandelenkapitaal van de
vennootschap bezit. Hij wordt belast in box 2 van de inkomstenbelasting(tarief 25%) voor het dividend dat hij van
de vennootschap krijgt uitgekeerd en voor de eventuele winst die hij behaalt met de verkoop van zijn aandelen.
Directeur-grootaandeelhouder of DGA= vaak kent een bv maar één aandeelhouder, die zichzelf benoemt tot
directeur. Het salaris dat de DGA verdient als directeur is dus als loonkosten aftrekbaar voor de
vennootschapsbelasting. De DGA dient over dit salaris wel inkomstenbelasting te betalen.
Een aandeelhouder die minder dan 5% van de aandelen van de vennootschap houdt, wordt belast in box 3 van
de inkomstenbelasting. In die box wordt ervan uitgegaan dat er altijd een inkomen gehaald wordt uit de aandelen
dat gelijk is aan 4% van de waarde van die aandelen. Vervolgens wordt dit veronderstelde inkomen belast tegen
30%. Het komt er dus op neer dat bij kleine beleggers een belasting wordt geheven van 1,2%(30% van 4%) van
de waarde van hun aandelen.
De bv en nv vallen onder de wettelijke publicatieplicht, dat wil zeggen dat zij hun financiële cijfers openbaar
moeten maken door middel van het deponeren van die cijfers op het kantoor van het handelsregister. Het
handelsregister wordt bijgehouden door de kamer van Koophandel. Er zijn twaalf regionaal gespreide Kamers,
die behalve met het bijhouden van het handelsregister, ook belast zijn met de uitvoering van economische wetten
en met het geven van advies aan het bedrijfsleven.
Drie verschillen tussen bv en nv
1. Bv’s kennen alleen aandelen op naam, terwijl het bij een nv ook mogelijk is dat aandelen aan toonder
uitstaan, hetgeen wil zeggen dat ze op juridisch eenvoudige wijze van eigenaar kunnen wisselen.
Beursgenoteerde ondernemingen zijn daarom altijd een nv.
2. In de statuten van een bv kan een blokkeringsclausule worden opgenomen, die beperkingen oplegt aan
de aandeelhouder bij de verkoop van zijn aandelen. Zo kan bepaald zijn dat de aandeelhouder zijn
aandelen eerst te verkoop moet aanbieden aan zijn medeaandeelhouders. Bij een nv mag de vrije
overdraagbaarheid niet beperkt worden.
3. Voor de oprichting van een nv is een minimum beginkapitaal nodig van €45.000, - vereist, bij de bv is dit
nu nog €18.000, -, maar zal er na de invoering van nieuwe wetgeving geen minimumkapitaal meer
vereist zijn.
- Coöperatie
Een coöperatie oefent een bedrijf uit ten behoeve van haar leden. De leden van een coöperatie doen zaken met
hun coöperatie. De aard van dit zakendoen kan verschillend zijn:
1. Bij een productiecoöperatie zijn de leden leverancier van grondstoffen voor het productieproces. Bij
een coöperatieve zuivelfabriek leveren de boeren de melk aan, bij een suikerfabriek de suikerbieten.
2. Bij een inkoopcoöperatie nemen de leden producten van de coöperatie af, zoals pootgoed of
kunstmest.
3. Bij een coöperatieve bank lenen de leden geld aan en van de bank
Onderlinge waarborgmaatschappij= zo wordt de verzekeraar genoemd wanneer er sprake is van het verkopen
van verzekeringen aan de leden.
, De leden vormen de hoogste macht binnen de coöperatie. Het door de leden benoemde bestuur is
verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken. Soms is er een raad van toezicht, wiens functie te
vergelijken is met de raad van commissarissen bij de nv en bv. Coöperaties zijn vooral te vinden in de agrarische
en in de financiële sector.
De financiering van coöperaties is een lastig punt. Er is geen aandelenkapitaal; winstinhouding ligt gevoelig,
omdat winst maken door de coöperatie betekent dat zij haar leden te lage prijzen heeft betaald(bij een
productiecoöperatie) of te hoge prijzen heeft gevraagd(bij een inkoopcoöperatie). Ter voorziening in de
financieringsbehoefte worden soms ‘ledencertificaten’ uitgegeven, die het karakter hebben van langlopende
leningen. De continuïteit van de coöperatie wordt gewaarborgd doordat bepaald kan zijn dat leden niet van de
ene dag op de andere de coöperatie mogen verlaten; bovendien kunnen de leden verplicht worden al hun zaken
met de coöperatie te doen.
Ten aanzien van de aansprakelijkheid van de leden voor de schulden van de coöperatie zijn drie juridische
vormen mogelijk:
1. Wettelijke Aansprakelijkheid(WA)= de leden zijn aansprakelijk voor de schulden van de coöperatie.
2. Uitgesloten Aansprakelijkheid(UA)= de leden kunnen niet verplicht worden om de schulden van de
coöperatie te betalen.
3. Beperkte Aansprakelijkheid(BA)= de leden zijn tot een bepaald maximumbedrag per lid aansprakelijk
voor de schulden van de coöperatie.
De coöperatie valt onder de vennootschapsbelasting; hiervoor geldt echter een bijzondere regeling, die ervoor
zorgt dat niet alle winst belast wordt. Bij uitkering van de winst aan de leden worden deze – voor zover zij
ondernemer zijn – belast met inkomstenbelasting in box 1. De coöperatie heeft publicatieplicht.
Omzetbelasting
Omzetbelasting is een belasting waar elke onderneming mee te maken heeft. De omzetbelasting is een belasting
die consumptieve uitgaven treft, dat wil zeggen dat de eindafnemer van een goed of dienst de belasting ‘voor zijn
rekening’ moet nemen.
Om dit te bereiken wordt het systeem van belastingheffing over de toegevoegde waarde toegepast. Elke keer als
een onderneming een verkoop verricht, is zij omzetbelasting verschuldigd. Het algemene tarief van de
omzetbelasting is 19%. Het tarief wordt toegepast op de verkoopprijs van het goed of de dienst. De onderneming
zal de verkoopprijs met het belastingbedrag verhogen.
De belasting is verschuldigd, ongeacht of wordt geleverd aan een eindconsument of aan een andere ondernemer.
Als de koper een ondernemer is, heeft hij het recht de aan hem doorberekende belasting terug te vorderen van
de belastingdienst. Als de afnemer een eindconsument is, heeft hij geen terugvorderingsrecht.
Kostprijsverhogende belasting= voor de consument is hier sprake van omdat de omzetbelasting niet
teruggevorderd kan worden.
Bijzondere situaties in de omzetbelasting
- Laag tarief
Op sommige leveringen van goederen of diensten is het lage tarief van 6% van toepassing.
- Vrijstellingen
Er zijn ook prestaties die zijn vrijgesteld van omzetbelasting. Het gaat hier om diensten van banken en
verzekeringen, medische diensten, agrarische leveringen en leveringen of diensten met betrekking tot onroerend
goed. Een vrijstelling heeft twee gevolgen:
1. De ondernemer is over de betreffende levering of dienst geen omzetbelasting verschuldigd.
2. De ondernemer kan de aan hem door leveranciers doorberekende omzetbelasting niet terugvorderen.
- Export
De Nederlandse omzetbelasting heeft als doel om consumptieve bestedingen in Nederland te treffen. Goederen
die vanuit Nederland verkocht worden naar het buitenland, worden niet getroffen door omzetbelasting. Ze worden
in het bestemmingsland getroffen met omzetbelasting. De goederen gaan ‘belastingschoon’ de grens over; dit
wordt bereikt door het nul-tarief toe te passen.
Een Nederlandse onderneming die goederen importeert uit het buitenland is bij de invoer Nederlandse
omzetbelasting verschuldigd. Deze omzetbelasting kan zij vervolgens weer terugvorderen als zij de ingevoerde
goederen gebruikt voor belaste prestaties.
Samenwerkingsvormen tussen ondernemingen
- Fusie en overname
Als een onderneming wil groeien, is het makkelijker om een ander bedrijf over te nemen dan zelf nieuwe
activiteiten op te starten.
Overname= worden gerealiseerd doordat een onderneming de aandelen van een ander bedrijf opkoopt
Fusie= wordt gebruikt in de situatie dat er geen sprake is van een overnemer en een overgenomene, maar van
twee gelijkwaardige partijen die samensmelten.
De relatie tussen overnemer en overgenomene kan verschillend zijn; dit wordt toegelicht aan de hand van de
begrippen bedrijfstak en bedrijfskolom.