Hoofdstuk 3
Vraagcurve = dalend. Naarmate de prijs minder is worden er meer producten gevraagd.
Substituten = Producten die elkaar vervangen.
Inkomenseffect = Het effect wat het dalen of stijgen van het inkomen heeft op het koopgedrag voor
een product.
Buyer’s reservation price = consumenten surplus = de maximale prijs die een koper wil betalen.
Aanbodcurve = Stijgend. Naarmate de prijs meer is worden er meer producten aangeboden.
Seller’s reservation price = producenten surplus = de minimale prijs waarvoor een verkoper het
product wil verkopen.
Excess supply = aantal producten die overblijven (hoeveelheid aanbod – hoeveelheid vraag)
Excess Demand = Aantal producten die tekort komen (hoeveelheid vraag – Hoeveelheid aanbod)
Price Ceiling = een maximum prijs die de overheid inzet voor één product.
Verschuiving langs de curve = een verandering van een hoeveelheid (gewoon op de curve)
Verschuiving van de curve = Een verandering waardoor de gehele curve veranderd.
Complements = goederen die elkaar versterken.
Normale goederen = de vraagcurve veranderd naar rechts wanneer meer inkomen, naar links
wanneer minder inkomen
Inferieure goederen (minder goede goederen) = de vraagcurve verander naar rechts wanneer er
minder inkomen is en naar links wanneer er meer inkomen is.
Prijselasticiteit = % verschil in consumptie / % verschil in prijs
Hoofdstuk 4
Marginale opbrengsten – de opbrengsten die er komen wanneer er 1 product extra gemaakt wordt
Marginale kosten – de kosten die er komen wanneer er 1 product extra gemaakt wordt
Substitution effect = wanneer een product goedkoper wordt is het voor producenten gunstiger om
een ander goed aan te schaffen.
Market Demand Curve = Dit is het totaal van de gegeven individuele vraag curve
Berekenen van Consumenten Surplus = 0,5 * prijs * hoeveelheid
Hoofdstuk 5
Opportunity costs = de kosten die je moet opgeven om iets anders te doen
Preservation price = De prijs die je minimaal wil om je opportunity costs terug te verdienen
MC = Marginale kosten. De kosten die je meer maakt per extra product. (VC/extra producten)
AVC= Average variable costs = de variabele kosten die gemaakt worden per product. (VC/Producten)
Vraagcurve = dalend. Naarmate de prijs minder is worden er meer producten gevraagd.
Substituten = Producten die elkaar vervangen.
Inkomenseffect = Het effect wat het dalen of stijgen van het inkomen heeft op het koopgedrag voor
een product.
Buyer’s reservation price = consumenten surplus = de maximale prijs die een koper wil betalen.
Aanbodcurve = Stijgend. Naarmate de prijs meer is worden er meer producten aangeboden.
Seller’s reservation price = producenten surplus = de minimale prijs waarvoor een verkoper het
product wil verkopen.
Excess supply = aantal producten die overblijven (hoeveelheid aanbod – hoeveelheid vraag)
Excess Demand = Aantal producten die tekort komen (hoeveelheid vraag – Hoeveelheid aanbod)
Price Ceiling = een maximum prijs die de overheid inzet voor één product.
Verschuiving langs de curve = een verandering van een hoeveelheid (gewoon op de curve)
Verschuiving van de curve = Een verandering waardoor de gehele curve veranderd.
Complements = goederen die elkaar versterken.
Normale goederen = de vraagcurve veranderd naar rechts wanneer meer inkomen, naar links
wanneer minder inkomen
Inferieure goederen (minder goede goederen) = de vraagcurve verander naar rechts wanneer er
minder inkomen is en naar links wanneer er meer inkomen is.
Prijselasticiteit = % verschil in consumptie / % verschil in prijs
Hoofdstuk 4
Marginale opbrengsten – de opbrengsten die er komen wanneer er 1 product extra gemaakt wordt
Marginale kosten – de kosten die er komen wanneer er 1 product extra gemaakt wordt
Substitution effect = wanneer een product goedkoper wordt is het voor producenten gunstiger om
een ander goed aan te schaffen.
Market Demand Curve = Dit is het totaal van de gegeven individuele vraag curve
Berekenen van Consumenten Surplus = 0,5 * prijs * hoeveelheid
Hoofdstuk 5
Opportunity costs = de kosten die je moet opgeven om iets anders te doen
Preservation price = De prijs die je minimaal wil om je opportunity costs terug te verdienen
MC = Marginale kosten. De kosten die je meer maakt per extra product. (VC/extra producten)
AVC= Average variable costs = de variabele kosten die gemaakt worden per product. (VC/Producten)