Anatomie en fysiologie
zs = zenuwstelsel
12 paar hersenzenuwen die direct uit de hersenen komen
32 paar ruggenmergzenuwen die uit het ruggenmerg komen
Zs bestaat anatomisch uit 2 delen:
1. Centrale zenuwstelsel; de hersenen en het ruggenmerg. Beide worden beschermd door bot
schedel en wervels
2. Perifere zenuwstelsel. Perifeer = aan de omtrek = aan de buitenzijde
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Hersenen bestaan uit 3 onderdelen:
1. Cereberum = grote hersenen
Cereberum is ingedeeld in kwabben:
1. Frontaal = vooraan
2. Parietaal = bovenaan
3. Temporaal = onderaan
4. Occipitaal = achteraan
Cerebrum is meestal bewust (plannen) maar ook onbewust (emoties)
Neurale circuits: veel functies bestaan uit samenwerkende hersengebieden
2. Cerebellum = kleine hersenen
Functie: coördinatie van bewegingen, spraak en evenwicht
3. Truncus cerebri = hersenstam
Functie: vitale levensfunties o.a lichaamstemperatuur, ademhaling, bloeddruk en hartslag. Gaat ook
over kauwen, huilen, plassen, slaapritme en pupilgrootte
Hersenbalk: linker- en rechterhersenhelft kunnen met elkaar samenwerken.
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Oorzaken hersenletsel:
- Aangeboren
- Neurodegeneratieve en neuromusculaire aandoeningen (dementie, ms, als)
- Verworven (NAH)
Door: trauma
CVA = cerebro vasculair accident = beroerte
Hartfalen
Zuurstof tekort
Cva = beroerte:
1. Hersenbloeding HCVA bloedverlies zuurstoftekort
2. Herseninfarct ICVA bloedstolsel zuurstoftekort
Een hersenbloeding heeft 50% kans op doodgaan maar grotere kans op volledig herstel
Een herseninfarct heeft 40% kans op doodgaan maar een kleinere kans op volledig herstel
1
,Symptomen:
- Kan gepaard gaan met bewusteloosheid
- Verlamming gezicht
- Warrig spreken en denken
- Verlammingen
- Verstoring of verlies gezichtsvermogen
- Verdoofd gevoel in arm been of gezicht
- Tintelingen
- Ernstige hoofdpijn meestal bij bloeding
- Duizeligheid en evenwichtsstoornis
Trombose: bloed wordt dikker
Embolie: bloedprop schiet los
Aneurysma: binnenkant ader komt naar buiten omdat de buitenkant zwak is. Er ontstaan een bol
met bloed die kan knappen.
Voorbeelden neurodegeneratieven aandoeningen en neuromusculaire aandoeningen:
- Dementie
- ALS/PLS
- MS
-
-
Flitscollege Afasie
Wat is afasie:
- Verworven taalstoornis door focaal hersenletsel (meestal linker hersenhelft)
- Tast taalproductie en taalbegrip aan
- Past gesproken en geschreven taal aan
Focaal: vrij plaatselijk
Frontaalkwab: motoriek, inclusief
articulatie.
Taal: met name grammaticale
vermogen
Temporaalkwab: gehoor, auditieve
analyse en herkenning:
Taal: woordbeelden
Occipitaalkwab: visus (zicht)
Parietaalkwab: gevoel en geheugen voor tijd en ruimte, Praxis (handelen) en sensoriek
2
, 4 taalmodaliteiten:
1. Luisteren
2. Lezen
3. Spreken
4. Schrijven
Voorbeeld: iemand roept: ‘hond’
Normale Processen:
1. Luisteren: klanken analyseren woord herkennen concept begrijpen wat een
hond is
2. Lezen: het woord zien letters herkennen woord herkennen betekenis
herkennen
3. Spreken: kenmerken bij woord activeren onderliggende woordvorm opzoeken
klanken op de juiste plek worden gezet mond beweegt
4. Schrijven: concept geactiveerd zoek onderliggende geschreven woordvorm
letters op de juiste plek hand bewegen en schrijven
3
zs = zenuwstelsel
12 paar hersenzenuwen die direct uit de hersenen komen
32 paar ruggenmergzenuwen die uit het ruggenmerg komen
Zs bestaat anatomisch uit 2 delen:
1. Centrale zenuwstelsel; de hersenen en het ruggenmerg. Beide worden beschermd door bot
schedel en wervels
2. Perifere zenuwstelsel. Perifeer = aan de omtrek = aan de buitenzijde
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Hersenen bestaan uit 3 onderdelen:
1. Cereberum = grote hersenen
Cereberum is ingedeeld in kwabben:
1. Frontaal = vooraan
2. Parietaal = bovenaan
3. Temporaal = onderaan
4. Occipitaal = achteraan
Cerebrum is meestal bewust (plannen) maar ook onbewust (emoties)
Neurale circuits: veel functies bestaan uit samenwerkende hersengebieden
2. Cerebellum = kleine hersenen
Functie: coördinatie van bewegingen, spraak en evenwicht
3. Truncus cerebri = hersenstam
Functie: vitale levensfunties o.a lichaamstemperatuur, ademhaling, bloeddruk en hartslag. Gaat ook
over kauwen, huilen, plassen, slaapritme en pupilgrootte
Hersenbalk: linker- en rechterhersenhelft kunnen met elkaar samenwerken.
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Oorzaken hersenletsel:
- Aangeboren
- Neurodegeneratieve en neuromusculaire aandoeningen (dementie, ms, als)
- Verworven (NAH)
Door: trauma
CVA = cerebro vasculair accident = beroerte
Hartfalen
Zuurstof tekort
Cva = beroerte:
1. Hersenbloeding HCVA bloedverlies zuurstoftekort
2. Herseninfarct ICVA bloedstolsel zuurstoftekort
Een hersenbloeding heeft 50% kans op doodgaan maar grotere kans op volledig herstel
Een herseninfarct heeft 40% kans op doodgaan maar een kleinere kans op volledig herstel
1
,Symptomen:
- Kan gepaard gaan met bewusteloosheid
- Verlamming gezicht
- Warrig spreken en denken
- Verlammingen
- Verstoring of verlies gezichtsvermogen
- Verdoofd gevoel in arm been of gezicht
- Tintelingen
- Ernstige hoofdpijn meestal bij bloeding
- Duizeligheid en evenwichtsstoornis
Trombose: bloed wordt dikker
Embolie: bloedprop schiet los
Aneurysma: binnenkant ader komt naar buiten omdat de buitenkant zwak is. Er ontstaan een bol
met bloed die kan knappen.
Voorbeelden neurodegeneratieven aandoeningen en neuromusculaire aandoeningen:
- Dementie
- ALS/PLS
- MS
-
-
Flitscollege Afasie
Wat is afasie:
- Verworven taalstoornis door focaal hersenletsel (meestal linker hersenhelft)
- Tast taalproductie en taalbegrip aan
- Past gesproken en geschreven taal aan
Focaal: vrij plaatselijk
Frontaalkwab: motoriek, inclusief
articulatie.
Taal: met name grammaticale
vermogen
Temporaalkwab: gehoor, auditieve
analyse en herkenning:
Taal: woordbeelden
Occipitaalkwab: visus (zicht)
Parietaalkwab: gevoel en geheugen voor tijd en ruimte, Praxis (handelen) en sensoriek
2
, 4 taalmodaliteiten:
1. Luisteren
2. Lezen
3. Spreken
4. Schrijven
Voorbeeld: iemand roept: ‘hond’
Normale Processen:
1. Luisteren: klanken analyseren woord herkennen concept begrijpen wat een
hond is
2. Lezen: het woord zien letters herkennen woord herkennen betekenis
herkennen
3. Spreken: kenmerken bij woord activeren onderliggende woordvorm opzoeken
klanken op de juiste plek worden gezet mond beweegt
4. Schrijven: concept geactiveerd zoek onderliggende geschreven woordvorm
letters op de juiste plek hand bewegen en schrijven
3