Boek ‘Wonen in Nederland’ 6V
,Paragraaf 1: Rivieren Basis
De Rivier
Land
A. A.
B
Rivier de Rijn:
C.
• Bovenloop: Zwitserland
• Middenloop: Duitsland
• Onderloop: Nederland
zee
A = Bovenloop/ brongebied: Bergachtig > Hoge stroomsnelheid + veel erosie
B = Middenloop: Heuvelachtig > evenwicht van erosie en sedimentatie
C = Benedenloop: Vlak land + monding > eindigt bij zee in delta of trechter
De Riviermonding
Delta Estuarium/ trechtermonding
- Weinig eb/vloed verschil - Veel eb/vloed verschil
- Veel sediment in rivier - Veel zeestroming
- Weinig zeestroming > riviermonding word uitgeslepen
> nat, vlak en vruchtbaar door de zeestromingen
,Belangrijke begrippen
Stroomgebied = Rivier zelf + gebieden waar de rivier zijn water vandaan haalt
Waterscheiding = grens tussen twee stroomgebieden
Lengteprofiel = afbeelding rivier in de lengtedoorsnede
Dwarsprofiel = afbeelding rivier in de dwarsdoorsnede
Stroomstelsel =
Gemengde rivier = rivier bestaand uit zowel regen- als smeltwater
Regenrivier: rivier bestaand uit regenwater
Verval = Het hoogte verschil tussen de 2 uiterste punten van de rivier
Verhang = Het verval per kilometen
Debiet = Hoeveelheid water in rivier: aantal kubieke meters dat per seconde een
bepaald punt in de rivier passeert.
Regiem = Verdeling vd hoeveelheid water in de rivier over het hele jaar op een
bepaalde plek. (oftewel zoals in boek: jaarlijkse schommelingen in de
waterafvoer van een rivier/beek.). Voorbeeld van Regiem:
Lengteprofiel Rivier:
* Benedenloop: waar het land echt vlak is + monding
Bovenloop
Middenloop
Benedenloop*
, Natuurlijke dwarsprofiel
Zomer: A = Rivierbed
B = Oeverwal (zanderig). Als
de rivier s’winters overstroomt
hoe dichterbij het rivierbed,
A. hoe sterker de stroming. Hier
is de stroming dus erg sterkst
Winter > Rivier overstroomt: en blijft dus alleen grof
sediment liggen > vormt de
oeverwal
C = Hier is de stroomsnelheid
C. B. B. C. minder. Hier blijft dus fijn
sediment liggen waardoor hier
A. een kleiige ondergrond te
vinden is
Niet natuurlijk (menselijk) dwarsprofiel
Mensen houden niet van overstromingen in de winter, dus:
2. 1. 1. 2.
Winterdijk = gemaakt om het water in de winter binnen de dijken te houden
Zomerdijk = gemaakt om het water in de zomer binnen de dijken te houden
Uiterwaard = gebied tussen zomer- en winterdijken. Kan in zomer vee grazen.
Zomerbed = rivierbed in de zomer
Winterbed = rivierbed in de winter (in de winter meer water in rivieren)
1 = Buitendijks gebied
2 = Binnendijks gebied