H1. Onderwijs in de maatschappelijke context.
Wat is onderwijskunde?
> vergaren en toepassen van wetenschappelijke kennis over het onderwijs
> Van Dale: “wetenschappelijke kennis en studie van het onderwijs”.
> Wikipedia: “Onderwijskunde wordt beschouwd als een wetenschap die leren, opleiden
en ontwikkelen in onderwijs en bedrijfsleven wil beschrijven, begrijpen en verklaren”
Globaal in drie niveaus:
1. Macro niveau: (H1 en H2) onderwijsbeleid, plek van onderwijs in de samenleving.
2. Meso niveau: (H3 en H5) leraaropleiding en onderwijsbegeleiding. Organisatie van
scholen.
3. Micro niveau: (H4, H6, H7 en H9) de leerling, leerprocessen, leeromgevingen,
evaluatie.
Doelstellingen van dit hoofdstuk:
1. Definitie van onderwijs en de drie hoofdfuncties
2. Meritocratisch onderwijsideaal vs. Reproductie
3. Oorzaken van ongelijkheid in onderwijs en arbeidsmarkt
4. Verschillende benaderingen van pedagogische functie van het onderwijs.
Centrale vraag: vervult het onderwijs zijn maatschappelijke opdracht? = macro
niveau
1.1 Inleiding
Definitie van onderwijs:
- geïnstitutionaliseerde en geprofessionaliseerde socialisatie
geïnstitutionaliseerd: in instellingen, gebonden aan wetten en regels
geprofessionaliseerd: door daartoe opgeleide mensen
socialisatie: inleiding cultuur en voorbereiding op te sociale rol. =actieve
gebeurtenis!
Niet alle leerlingen passen goed in regulier onderwijs gebrekkige socialisatie:
- opvoedings- en leerproblemen
- fysieke en/of verstandelijke beperkingen
- gering onderwijssucces van friezen, allochtonen, meisjes, leerlingen uit lagere
SES
- ondermaats functionerende leerkrachten
- falende scholen.
Sociologen: onderwijs heeft drie hoofdfuncties:
1. Kwalificatie
kinderen kennis, vaardigheden en houdingen leren sociale rollen spelen!
2. Integratie
aanleren van burgerschapscompetenties
3. Differentiatie
voorbereiding op uiteenlopende posities die verschillen naar niveau en
aard.
Kortom: een nieuwe generatie leert de principes van de maatschappij. Hier spelen ook
andere instituties zoals het gezin en de buurt een rol.
,Eind 20e eeuw: ontwikkelingen die van invloed zijn op onderwijs, zoals Technologisering,
Veranderingen in het arbeidsbestel en de arbeidsmarkt, Internationalisering, Groeiende
culturele verscheidenheid, Neo-liberale besturingsvisies en Toename sociale ongelijkheid.
1.2 Onderwijs en ongelijkheid (differentiatiefunctie)
Elke maatschappij wordt gekenmerkt door sociale differentiatie en door sociale
ongelijkheid (bezit, inkomen of macht).
Selecteren: toewijzen juiste onderwijsprogramma’s
Alloceren: toewijzen aan het juiste vervolgonderwijs en de juiste positie op de
arbeidsmarkt.
Arbeidsdeling: leidt tot efficiëntere productie en specialisatie, maar ook tot
voorraadvorming en variatie (=sociale ongelijkheid)
In hoeverre moet het onderwijs meedoen aan het produceren van sociale ongelijkheid?
streven = meritocratie.
- hiërarchie van posities. Bovenaan: de meest verdienstelijken.
- elk individu moet een gelijke kans op toegang tot de arbeidsmarkt krijgen.
- kritiek: te functioneel en te veel concurrentie.
wetenschappers die twijfelden aan de functionele selectiecriteria: reproductietheorie
- samenleving wordt gedomineerd door machtsverhoudingen tussen
maatschappelijke
groepen
- onderwijs wordt door de heersende klasse ingericht om de machtsongelijkheid te
handhaven
- er is geen sprake van verticale sociale mobiliteit (hogerop komen dan je ouders)
Afgelopen paar jaar: meer meritocratie in Nederland, maar nog steeds een verband met
afkomst, kleur en sekse.
Overheidsbeleid: gericht op wegnemen of compenseren van sociale, culturele of
economische factoren die leerlingen belemmeren hun talenten optimaal te ontplooien.
De differentiatiefunctie zorgt ervoor dat leerlingen worden geselecteerd voor
schoolloopbanen en dat ze aan het eind van de loopbaan beschikken over kwalificaties
die passen bij specifieke posities op de arbeidsmarkt.
Twee modellen over geschikte tijdstippen om te selecteren:
1. Sponsored mobility
- kinderen op zeer jonge leeftijd geselecteerd voor onderwijstrajecten dei toegang
geven tot
specifieke posities.
- De Groot: expeditiemodel.
- Strenge selectie, gevolgd door inspanningsverplichting (student en
onderwijsinstelling) om
de eindstreep te halen
- ontwikkeling wordt gezien volgens een standaardpatroon.
- homogene groepen
2. Contest mobility
- herhaaldelijk de kans krijgen om hun capaciteiten te tonen (concurrerend)
- onderwijs: open toelating en permanente selectie
- heterogene leerlinggroepen. Zo veel mogelijk switchen mogelijk maken.
- De Groot: veldloop-/hordenloopmodel.
Onderzoek:
- selectie op jonge leeftijd blijkt zichzelf waarmakende voorspellingen op te leveren
voor latere
, posities keuzes bevestigen zichzelf. = systeemeffect
Verschillende aard van ongelijkheid:
1. Ongelijkheid naar sekse
eerder: ondervertegenwoordiging vrouwen in (hoger) onderwijs, maar nu een
stijging.
meer seksespecifieke keuzes in lagere niveaus dan in hogere trajecten.
2. Ongelijkheid naar sociaal milieu
inkomen/bezit, status van het beroep van de ouders, woonomgeving, leefstijl.
momenteel is de beste voorspeller van schoolsucces het opleidingsniveau van de
ouders en in
het bijzonder dat van de moeder.
vroeger was dat het beroepsniveau van de vader.
vroeger: milieuhiërarchie was een piramide; veel in de lagere niveaus, weinig
hoger.
daarna: uivormig: veel in de middenklasse, weinig onder en boven
nu: richting een omgekeerde peer: veel boven, weinig onder.
3. Ongelijkheid naar etnische groepen
verschil Westerse en niet-Westerse allochtonen. Westerse hebben vaak dezelfde
cultuur, en al
een wat hogere opleiding of hoger inkomen.
het allochtonenprobleem hangt samen met de Nederlandse immigratiepolitiek
(iedereen kan
hier komen, de groep is heterogeen)
onderscheid mediterrane gebieden, voormalige koloniën en asielzoekers
Turkse en Marokkaanse leerlingen blijven het meest achter in het basisonderwijs.
Relatie sociaal-economische positie van de ouders en opleidingsniveau kind is stabiel,
maar wel varieert de sterkte van de samenhang in verschillende gebieden/landen.
Allochtone kinderen komen al met een flinke achterstand het onderwijs binnen.
Oorzaken ongelijkheid naar SES?
Kind&Gezin
- IQ? Probleem: actieve covariatie (kinderen uit hogere milieus al vroeg meer
uitgedaagd en
worden daardoor intelligenter, effecten van aanleg en omgeving zijn niet te
onderscheiden)
- Opvoedingsstijl en taalcodes? (meer interactieve bij hoog SES versus directieve
opvoedingsstijl en uitgebreide code versus beperkte taalcode)
School&Klas
- Wijze van instructie: open onderwijs (passend bij hoog SES) versus directe
instructie (meer
passend bij laag SES)
- Leerkrachtverwachtingen: Pygmalion in the classroom: leerkrachten hebben
onbewust
verwachtingen van kinderen en gaan zich daarnaar gedragen. Self fullfilling
prophecy.
- Homogene scholen (zwarte en witte scholen) vs gemengde scholen. Zwakke