Sociale Context
1.0 Inhoud
Voor een marketeer is het belangrijk om te weten hoe en door welke referentiegroepen zijn
(potentiele) doelgroep wordt beïnvloed, daarom worden In hoofdstuk 2 de volgende
onderwerpen behandeld:
1. Referentiegroep;
2. Mond-tot-mond beïnvloeding;
3. Opinieleiderschap;
4. Belangrijke referentiegroepen;
5. Marketingtoepassingen.
1.1 Referentiegroepen
1.1.1 Soorten referentiegroepen (1/2)
Referentiegroep = Een groep of een persoon
die bepaalde normen en waarden hanteert waarnaar de consument zich richt.
Er zijn verschillende soorten (referentie) groepen:
1. Kleine groepen en grote groepen;
2. Primaire groepen en secundaire groepen;
• Primaire groepen = Een groep waarmee je sterk verbonden bent en je regelmatig
contact mee hebt.
• Secundaire groepen = Een groep met meer emotionele afstand.
à Bijvoorbeeld: Collega’s van verschillende afdelingen.
3. Formele groepen en informele groepen.
• Formele groepen = Een groep waarbij de leden weten wat er van hen verwacht wordt
en waarbij een doel, regels en namen van de leden op papier staan.
• Informele groepen = Een groep die op natuurlijke wijze in elke organisatie ontstaan in
reactie op een behoefte aan sociaal contact.
De consument wordt het sterkst beïnvloed door kleine, primaire, informele groepen.
4. Normatieve referentiegroepen = Individu die zich globaal richt op alle normen en
waarden van de groep.
5. Comparatieve referentiegroepen = Individu die zich alleen op normen en waarden
van een specifiek domein richt.
Een referentiegroep dient niet altijd als voorbeeld van hoe de consument het zelf zou willen,
het kan ook een voorbeeld zijn van hoe de consument het niet zou willen.
1.1.2 Soorten referentiegroepen (2/2)
, 6. Dissociatieve groep = Gaat negatieve invloed van uit; de consument wil zich ervan
onderscheiden.
7. Associatieve groep = Gaat positieve invloed van uit; de consument wil zich
conformeren.
• Conformeren = Gelijkvormig maken/ zich aanpassen aan.
8. Lidmaatschap groep = Een groep waar de consument zelf deel van uitmaakt.
9. Aspiratiegroep = Een groep waarvan de consument geen deel uitmaakt, maar dat (in
de toekomst) wel zou willen.
10. Symbolische groep = Een groep waar de consument bij zou willen horen, maar
waarvoor de kans dat dat ooit gebeurt erg klein is.
à Bijvoorbeeld: Het Nederlands Elftal.
11. Fysieke groep = Mensen die ‘live’ contact hebben.
12. Online groep = Contact via het internet. Fysieke en online groepen kunnen elkaar
overlappen. Online groepen maken het potentiele netwerk groot.
à Ze hebben veel invloed op het consumentengedrag.
1.1.3 Overzicht van typen referentiegroepen
Er zijn verschillende soorten referentiegroepen die bepaalde normen en waarden hanteren
waarnaar de consument zich richt.
1.1.4 Functies van referentie
Consumenten kunnen om verschillende redenen gebruik maken van referentiegroepen: