Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
Samenvatting

Uitgebreide samenvatting Gedrags en Opvoedingsproblemen

Beoordeling
-
Verkocht
17
Pagina's
117
Geüpload op
21-03-2015
Geschreven in
2014/2015

Uitgebreide samenvatting van ALLE stof van het vak Gedrags- en opvoedingsproblemen. (alleen het college van Liesbeth van der Berg mist)

Instelling
Vak

Voorbeeld van de inhoud

GELDT ALLEEN VOOR COLLEGES VAN BATSTRA:
Geen tentamenvragen over doelgroepen die niet behandeld
wordt in college!!!!

Geen tentamenvragen over de verslaafde jongeren uit het boek,
wel over datgene wat er in de colleges wordt behandeld.

Doelgroepen 1
Epidemiologie
De primaire taak van de hulpverlenign voor jeugdigen met emotionele problemen
of gedragsproblemen is het nemen van beslissingen hoe de individuele jeugdige
het beste geholpen kan worden. Hiervoor is kennis nodig over welke problemen
normaal zijn voor een jeugdige van een bepaalde leeftijd en wanneer
behandeling nodig is. Om deze kennis op te bouwen, is het nodig om het
probleemgedrag van een jeugdige in maat en getal te kunnen omschrijven 
epidemiologie.

Epidemiologische begrippen
Epidemiologie: richt zich op patronen van ziekte of psychische stoornissen en
problemen in menselijke populaties en op factoren die deze patronen
beïnvloeden. De populatie die onderzocht wordt moet welomschreven zijn.
Daarnaast moeten de bestudeerde fenomenen gekwantificeerd worden 
vastgelegd in getal en maat.
Prevalentie: de proportie individuen in een populatie die een bepaalde
aandoening heeft op een bepaald moment in de tijd.

 Puntprevalentie: de prevalentie op een bepaald moment
 Periodeprevalentie: de prevalentie in een bepaalde periode
 ‘Lifetime’ prevalentie: de prevalentie gedurende het gehele leven

Incidentie: de proportie nieuwe gevallen dat binnen een bepaalde periode
optreedt. Vooral bij aandoeningen die een duidelijk moment van aanvang
hebben.

Beschrijving van probleemgedrag in populaties:
Drie kenmerken:

1. De kwantitatieve aard van probleemgedrag bij jeugdigen
2. De noodzaak om informatie van meerdere informanten te betrekken bij het
verkrijgen van eeen compleet beeld van het functioneren van de jeugdige
3. De leeftijdafhankelijkheid van gedrag.

Dit wordt ook wel gevalsidentificatie genoemd: de kenmerken spelen een rol bij
de identificatie van jeugdigen met een probleem of een stoornis. Er zijn twee
benaderingen voor de omschrijving van stoornissen of problemen:

,  De from the top down-benadering (DSM): eerst neemt men het bestaan
van stoornissen aan en vervolgens worden de criteria vast gesteld.
 De from the ground up-benadering (CBCL): empirische gegevens worden
verzameld bij een groot aantal individuen en daarvan wordt de onderlinge
samehang bepaald. Hiervoor kun je ook gebruikmaken van normgegevens
om vast te stellen of er sprake is van een stoornis of niet.

DSM:
Voordeel: de categorieen zijn algemeen geaccepteerd en de gegevens zijn goed
te vergelijken.
Nadeel: Het dient om als klinische gevallen geidentificeerde individuen te
omschrijven, het is niet geschikt om als criteria te dienen om te kijken of iemand
een stoornis of probleem heeft.

Zo kun je dus extreem hoge percentages stoornissen vinden op het moment dat
de diagnostische DSM-criteria strikt gehanteerd worden, dit komt dan omdat de
individuen die voldoen aan de criteria maar wel goed functioneren in het
dagelijks leven ook worden meegeteld. Omgekeerd is ook het getal, het aantal
jeudigden dat disfunctioneerd in het dagelijks leven wordt niet meegeteld.
Een tweede nadeel: kwantitatieve gradaties in het probleemgedrag kunnen niet
zichtbaar gemaakt worden.

De psychometrische benadering (CBCL):
Bij deze benadering is er sprake van syndroomschalen waarbij je niet iemand
indeelt op basis van of diegene wel of niet de stoornis heeft maar je deelt iemand
in op basis van de mate waarin hij die stoornis vertoond ten opzichte van de
normale populatie.

Beschrijving van de informanten
Informanten zijn: ouders, leerkrachten, clinici.
Informanten verschillen in de aard van hun relatie tot de jeugdige en in de
perceptie en beoordeling van het gedrag van een jeugdige.

 Ouders: zijn goed op de hoogte van het functioneren van hun kind. Hun
visie op functioneren is van doorslaggevend belang tot het zoeken van
eventuele hulp.
 Leerkrachten: bieden beeld over de schoolprestaties en het gedrag in
vergelijking met andere leeftijdsgenoten.
 Clinici: informatie via gedragsobservaties, gestaandaardiseerde
interviews, vragenlijsten.

Leeftijd: er moet altijd rekening worden gehouden met de leeftijd van de jeudige.

Prevalentie
De prevalentie wordt bepaald in het boek door middel van een steekproef bij
jeugdigen van 13 tot 18 jaar. De resultaten:

,  35,5% van de Nederlandse jeudigen heeft één of meer psychiatrische
stoornissen. Maar hierin is niet elke stoornis gelijk een probleem voor het
dagelijks functioneren.
 Bij een matige tot ernstige belemmering in het dagelijks functioneren is de
prevalentie 5,9% op basis van ouder-interviews en 4,8% op kind-
interviews.
 Kinderen die disfunctioneren zonder de voldoen aan de criteria is tussen de
7 en 7,3%.
 Verschillende informanten verschillen in de problemen die zij rapporteren.

Trends
De toename van ‘probleemjongeren’ kan verklaard worden door de
veranderingen in economische omstandigheden, de afbrokkeling van
gezinswaarden, de toegenomen beschikbaarheid van middelen als drugs en
alcohol en de rol van de media. De vraag is of de ongunstige trends, zoals die in
buitenlands onderzoek naar voren komen, ook voor ons land gelden. Dit is
onderzocht door middel van een trendanalyse. Uit die trendanalyse is naar voren
gekomen dat er in Nederland niet sprake was van een toename van
‘probleemjongeren’ en dat trends geen invloed hadden.

Risicofactoren

 Genetische factoren: er zijn vaak meerdere genen en chromosomen die
ervoor zorgen dat er probleemgedrag voorkomt  polygene risicofactoren.

Behalve genetische invloeden kan variatie tussen individuen in het gedrag
ook bepaald worden door omgevingsinvloeden. Hierbij maken we
onderscheid tussen omgevingsinvloeden die jeudigen die opgroeien in
hetzelfde gezin aan elkaar gelijk doen (gedeelde omgevingsfactoren) en
omgevingsfactoren die voor ieder persoon unieke ervaringen betreffen
(unieke omgevingsfactoren). In hoeverre de omgeving of de genen invloed
hebben kan worden aangetoond door middel van tweelingstudies. In deze
studies is aangetoond dat de erfelijkheidsfactoren een substantiele invloed
hadden. Omgevingsinvloeden die de grootste invloed hadden waren de
unieke omgevingsinvloeden.
 Psychosociale omgevingsfactoren:
- Deprivatie en separatie
Het missen van continuïteit in ouderlijke zorg, het onvoldoende
gestimuleerd zijn in de vroege ontwikkeling of het in affectieve zin
tekort zijn gekomen.

Om de gevolgen van vroege negatieve ervaringen op de latere
ontwikkeling te onderzoeken kun je kijken naar hoe de adoptie van
buitenlandse kinderen verloopt. Jeugidgen die in een niet-westers land
geboren zijn, lopen risico’s die verband houden met de invloeden
waaraan zij blootstonden in het land van herkomst. De resultaten uit dit
onderzoek hebben aangetoond dat bij de adoptiekinderen veel meer

, probleemgedrag voor komt dan bij gewone kinderen. En daarbij is het
hoe ouder het kind bij de adoptie, hoe meer kans op later
probleemgedrag. Daarnaast was er een sterk verband tussen
probleemgedrag enerzijds en vroege negatieve ervaringen anderzijds.
Dit onderzoek benadrukt de enorme individuele variatie in
kwetsbaarheid en weerbaarheid van jeudigen met betrekking tot
negatieve omgevingsinvloeden.
- Negatieve gezinsinvloeden
psychiatrische stoornis van ouders, ouderlijk crimineel gedrag,
mishandeling, seksueel misbruik, relatieproblemen, echtscheiding,
ongunstige opvoedingsstijlen en het opgroeien in een eenoudergezin.
Als voorbeeld: het opgroeien in een eenoudergezin (vaak
moedergezinnen na echtscheiding); deze jeugdigen ervaren meer
emotionele problemen en gedragsproblemen en hebben geringere
schoolprestaties. Factoren die hiermee te maken hebben zijn: 1) het
verlies van een ouder, 2) de psychische problemen van de ouders, 3)
de huwelijksconflicten voorafgaand aan en tijdens de scheiding, 4)
financiele problemen en 5) stress in het leven van de jeudigde door de
echtscheiding.

Huwelijksconflicten heeft de sterkste negatieve invloed op het
functioneren van het kind.
Negatieve gezinsinvloeden zijn erg complex en hebben meerdere
factoren die een grote rol spelen. Zo is niet zozeer het feit dat kinderen
bij één ouder opgroeien maar zijn het meer de factoren die daarom
heen een rol spelen.
- ‘Live events’
Levensgebeurtenissen zijn verantwoordelijk voor een lichte toename
van probleemgedrag. Maar deze gebeurtenissen blijken slechts wenig
bij te dragen aan het ontstaan van probleemgedrag.

Beschermende factoren:

 Factoren in de jeudige zelf: bv. temperament, intelligentieniveau,
goede schoolresultaten etc. Sommige factoren die een risico vormen voor
een probleem, beschermen juist tegen een ander probleem.
 Factoren in het gezin: ouderlijke steun, hechte gezinsbanden en goede
pedagogische eigenschappen.
 Factoren in de wijdere omgeving: hechte banden met vrienden,
belangrijke volwassenen etc.

Specifieke gevolgen van de stoornis:
Probleemgedrag op een bepaald moment is een krachtige predictor voor
probleemgedrag op een later tijdstip. Zo kan men probleemgedrag constateren
op tijdstip 1 en 5 jaar later kan dat probleemgedrag 5 x zo erg zijn, de kans is hier
dan groot op.

,Zorgconsumptie en de behoefte aan hulp
Het merendeel van de jeudigen in de algemene bevolking dat probleemgedrag
vertoont, krijgt geen professionele hulp. Er is dus sprake van een discrepantie
tussen het aantal jeudigen met problemen en het aantal dat daadwerkelijk
professioenle hulp daarvoor ontvangt. Factoren die hiermee samen gaan zijn: 1)
aanmelding voor professionele hulp, 2) de door ouders aangegeven behoefte aan
hulp, 3) de door ouders gerapporteeerde aanwezigheid van een probleem bij hun
kind en 4) de door ouders gerapporteeerde aanwezigheid van een ernstig
probleem bij hun kind.
Ongeacht het niveau van problemen van de jeudige, spelen de negatieve
gezinsinvloeden een rol bij dat de problemen worden waargenomen door de
ouders en dat er daadwerkelijk hulp wordt gezocht.
Onafhankelijk van het soort probleem, het probleemgedrag is zelf de factor die
het sterkst bepaald in hoeverre men op zoek gaat naar hulp, in hoeverre er
behoefte is aan hulp en de perceptie van het probleem.

Implicaties
- Er zijn gestandaardiseerde diagnostische procedures nodig.
- Epidemiologische normgegevens zijn van groot belang: er zijn algemene
bevolkingsgegevens nodig.
- DSM-criteria zijn niet geschikt om als criterium te dienen bij het kijken of
iemand een stoornis heeft of niet.
- Er is nog weinig solide onderzoek gedaan naar de effecten van interventies.
- Door de kwantitatieve aard van epidemiologisch onderzoek kan het bestaande
meningen ontzenuwen.

 THUISLOZE JONGEREN
Als we kijken naar hoe jongeren opgroeien in hun gezin kunnen we drie
groepen onderscheiden:
1. De jongeren die in een harmonieus gezin opgroeien en volwaardig deel
uitmaken van de maatschappij.
2. Een kleine groep jongeren die grotere problemen ervaart op meerdere
gebieden gedurende een lange periode maar desondanks met hulp van
anderen zich toch tot een zelfstandige volwassene ontwikkelt.
3. Een nog kleiner aantal ervaart ook grote problemen maar slagen er niet
in om deze problemen op te lossen en lopen van huis weg of worden
weggestuurd  thuisloze jongeren.

Definitie
Jongeren tussen de 12 en 25 jaar, die weggelopen zijn of op straat gezet
zijne n die daardoor geen stabiele woon- of verblijfplaats hebben, of in
kortdurende of langdurende opvang verblijven.
Prevalentie
- 2011: op jaarbasis 9000 (periodeprevalentie), op peildatum 4000
(puntprevalentie)
- 75% zijn jongens
- De meesten zijn rond de 18 jaar
- De helft heeft een allochtone achtergrond

,- Vaak is 1 ouder overleden
- Slechts 40% alleen door ouders/familie opgevoed
- De helft heeft in tehuis of een internaat gezeten
- Opleidingsniveau is vaak laag
- Velen hebben ruime (negatieve) ervaring met het hulpverleningscircuit
 deze jongeren hebben een ongelovelijke complexe problematiek.

Er is niet echt een ongebakende problematiek van alleen thuisloze
jongeren. Er zijn enorm complexe problematieken. Die problematieken
overlappen elkaar. Dat maakt het lastig om deze groep te helpen.
Achtergrond
Drie groepen worden onderscheiden:
1. Perspectiefvolle groep: raken tijdelijk thuisloos maar krijgen hun
leven vaak wel weer snel op de rails.
2. De vallen en opstaan groep: vallen steeds weer terug in oude
patronen, wonen soms in een huis maar dan weer op straat.
3. De zorggroep: de thuisloze groep die ook kampt met ernstige
verslavingsproblematiek. Dit is de lastigste groep waarbij de kans klein is
dat ze er weer bovenop komen.


Er zijn diverse wegen die naar een thuisloos bestaan kunnen leiden: er is
spake van een grote complexiteit van het verschijnsel.
Risicofactoren:
1. Individuele factoren: passieve compingsstijl, impulsiviteit
(egocontrole), agressie, externe locus of control, psychiatrische of
verslavingsproblematiek, licht verstandelijke handicap, een lage
zelfwaardering: minder motivatie om situatie te veranderen.
Kortom jongeren hebben geen vertrouwen meer in hun eigen
oplossingsvermogen en belanden uiteindelijk op straat.
2. Sociale factoren: probleemgezin (problemen in gezin of tussen
ouders), conflicten op school, negatieve ervaringen met andere
volwassenen (bv. jeugdhulpverlening), vrienden die thuisloos zijn: netwerk.

Kortom deze factoren zorgen ervoor dat jongeren het vertrouwen in
volwassenen verliezen.
3. Maatschappelijke factoren: armoede en achterstand, weinig kleine
woningen in grote steden, etnische groepen, onvolwaardige deelname aan
veeleisende maatschappij, versnipperde hulpverlening , gebrek aan
betaalbare woningen (vooral in grote steden), lage sociaal-economische
klasse.
Kortom zorgen deze factoren ervoor dat jongeren onvoldoende kunnen
participeren in de maatschappij en vormen ze maatschappelijke risico’s die
jongeren op hun pad tegenkomen.

Er zijn ontzettend veel factoren die een rol spelen, maar deze zijn maar
weinig specifiek. Er is vaak een ingewikkeld samenspel van achterliggende
factoren. Het is dus ook niet zo dat jongeren met deze achtergrond gelijk

,ook thuisloos worden, het is een meer een combinatie van factoren die een
hoog risico van thuisloosheid met zich meebrengt  multifactoriële
verklaring. Daarnaast zijn er verschillende wegen denkbaar, die uiteindelijk
kunnen uitmonden in een leven op straat.
Hulpverlening
> Er zijn heel veel lokale initiatieven: bv. stichting zwerfjongeren
nederland, night stop. Deze intiatieven zijn erop gericht om jongeren van
straat te helpen, omdat op het moment dat iemand op straat leeft dit vaak
een proces is wat zich blijft doorzetten.
> Het is belangrijk dat jongeren een eigen plek krijgen maar ook een plek
in de maatschappij.

Er zijn zes vormen van hulp:

1. Vertrektraining: preventieve training vooral voor jongeren in
internaten om thuisloosheid te voorkomen. Men leert de jongeren
specifieke vaardigheden aan om voor bereid te worden op een
zelfstandig leven  vooral sociale vaardigheden en het versterken van
het sociale netwerk.
2. Noodopvang: biedt tijdelijk onderdak waarbij ook vaak hulpverleners
aanwezig zijn om jongeren ook te motiveren voor een
hulpverlenerstraject.
3. Straathoekwerk: hulpverleners gaan actief de straat op om contact te
leggen met thuisloze jongeren. Als het contact gelegd is biedt het basis
om praktische en materiele hulp te bieden.
4. Residentiele hulpverlening: verschillende vormen van wonen in
groepen. Dit verblijf staat in teken van rust en veiligheid. Zodra er
structuur en vertrouwen is in het leven van de jongere dan kan er
gewerkt worden aan de toekomst in de vorm van een zelfstandige
woning, opleiding of baan.
5. Ambulante hulpverlenings: specifieke vormen van hulp aan jongeren
die ergens een (tijdelijk) verblijf hebben. Deze teams die jongeren
helpen bieden geen onderdak maar bieden wel intensieve
hulpverlening op tien gebieden van het lleven.
6. Begeleid wonen: de jongere wordt begeleid door een hulpverlener.

De fasen:

1) Contact met de jongee
2) Het bieden van basale materiele en medische hulp
3) Problemen diagnosticeren en een plan van aanpak opstellen.
4) Het realiseren van de gestelde hulpverleningsdoelen
5) Nazorg

Dit is een ideaalmodel wat in de praktijk zelden wordt gehaald.

Belangrijk in het algemeen:
- Duidelijke structuur, met enige flexibiliteit  woonplek met duidelijke
regels

, - Zeker zijn van een plaats; fouten mogen maken  veiligheid. Veiligheid is
essentieel om als jongere te kunnen ontwikkelen tot een zelfstandig
functionerend volwassene.
- Emotionele verbondenheid en 24 uur per dag beschikbaar  warme en
affectieve sfeer.
Het is belangrijk om een vertrouwensband op te bouwen.
- Ruimte voor eigen initiatieven: ook vooral ruimte voor het trekken van
het eigen plan. Samen met de hulpverlener wordt dan vaak ook een
stappenplan gemaakt waarin staat welke domeinen op welke manier
worden aangepakt.

De behoeftes van een thuisloze jongere zijn dus niet uniek. Ze komen
overeen met de behoeftes van elke jongere. Thuisloze jongeren zijn wel
uniek in de zin van de dezelfde problemen kunnen hebben als andere
jongere, maar ze zijn dus vooral uniek in dat dat de jongere zijn die
eindigen op de straat.

Toekomst
Er zullen altijd jongeren opgroeien in een zeer problematische situatie en
daar uiteindelijk weglopen of weggestuurd worden. Het is dus belangrijk
om een netwerk van hulpverlening te organiseren, zodat jongeren die
thuisloos geworden zijn zo snel mogelijk weer op gang worden geholpen.
En daarbij is het belangrijk dat het aanbod van de hulpverlening voldoende
op elkaar wordt afgestemd en dat er een betere samenwerking komt met
de hulpverleningsinstanties.

 Dialooggestuurde hulpverlening:
Er is een pleidooi voor een dialooggestuurde aanpak van
hulpverlening aan (thuisloze) jongeren. Normaal is er sprake van
een aanbodgestuurd karakter. Bij de dialooggestuurde aanpa gaan
hulpverlener en client met elkaar in gesprek en op basis van dat
overleg worden er gezamenlijk beslissingen genomen over de
diagnose, indicatiestelling en behandeling. Beide hebben daarin hun
eigen verantwoordelijkheid. Er is dus een meer gelijkwaardigere
relatie. Vraage en aanbod moeten in dialoog met elkaar afgestemd
worden.

Meer lezen:
Pappie’s kleine meid slaapt op straat – Stephanie-Joy Eerhart

VLUCHTELINGENKINDEREN
Vluchtelingenkinderen zijn de kinderen die met twee culturen te maken
krijgen, maar het zijn ook vaak getraumatiseerde kinderen die ervaringen
delen die schokkend zijn en die hun dagelijks leven en soms de verdere
ontwikkeling kunnen verstoren. En daarin is vaak sprake van een
opeenvolging van schokkende ervaringen die treffen het hele gezin. Zulke
traumatische ervaringen kunnen het gezin ook ontwrichten en daarom
spreken we ook van veel ama’s.

Geschreven voor

Instelling
Studie
Vak

Documentinformatie

Geüpload op
21 maart 2015
Aantal pagina's
117
Geschreven in
2014/2015
Type
SAMENVATTING

Onderwerpen

$7.19
Krijg toegang tot het volledige document:

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kun je een ander document kiezen. Je kunt het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Maak kennis met de verkoper

Seller avatar
De reputatie van een verkoper is gebaseerd op het aantal documenten dat iemand tegen betaling verkocht heeft en de beoordelingen die voor die items ontvangen zijn. Er zijn drie niveau’s te onderscheiden: brons, zilver en goud. Hoe beter de reputatie, hoe meer de kwaliteit van zijn of haar werk te vertrouwen is.
Tirsavdvelden Rijksuniversiteit Groningen
Volgen Je moet ingelogd zijn om studenten of vakken te kunnen volgen
Verkocht
281
Lid sinds
12 jaar
Aantal volgers
168
Documenten
26
Laatst verkocht
3 jaar geleden

3.9

32 beoordelingen

5
6
4
18
3
7
2
0
1
1

Recent door jou bekeken

Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen