Sociale identiteit: Mensen horen graag bij een groep.
Persoonlijke identiteit: Eigen verleden, eigen karakter en een eigen mening.
Identiteit: Wat eigen is aan iemand. Wie jij bent en wat je onderscheidt van anderen
bepaal je deels zelf, maar ontstaat ook door wat anderen van je vinden.
Nederlandse identiteit: Hangt af van wat je belangrijker vindt; dat wat ons bindt als
groep of juist de verschillen in de groep.
Waarde individuele vrijheid vinden veel Nederlanders belangrijk. Dat veel mensen
deze waarde delen zie je terug in de gedragsregels (normen) over homoseksualiteit,
euthanasie en abortus.
Expliciete cultuur: symbolen en uiterlijkheden (vlag)
Normen (regel dat je iedereen gelijk behandeld)
Impliciete cultuur: waarden en overtuigingen (individuele vrijheid)
Pluriformiteit: meerdere vormen hebben.
We geven vandaag de dag meer om ‘onze cultuur’ meer vrijwilligerswerk, donateurs.
Dominante cultuur: De waarden, normen en symbolen van de overheersende
groep in de samenleving.
CDA vindt dat NL een gezamenlijke sociale identiteit moet hebben en de dominante
cultuur van NL moet niet gaan lijken op een van de subculturen.
Subcultuur Wijkt op een aantal punten af van de dominante cultuur, maar zet zich
niet af tegen de waarden en normen van de meerderheid.
De binding in de samenleving kan onderdruk komen te staan. Als veel mensen zich
hierbij aansluiten ontstaat er een tegencultuur. Tegenculturen verkeren vaak op
voet van conflict(en) met de dominante cultuur en proberen deze te veranderen.
Sociale cohesie: Onderlinge verbondenheid is belangrijk voor je gevoel van
veiligheid en het geeft je een identiteit.
In een groep is er vaak sociale druk om te drinken. Als je niet meedrinkt ben je
‘ongezellig’.
Primaire socialisatie: Het proces tijdens je opvoeding waar je ouders je bijbrengen
wat (ab)normaal gedrag is en wat onbelangrijk is. Je leert over persoonlijke waarden;
zorgzaamheid en eerlijkheid.
Imitatie speelt een rol bij roken en drinken. In een gezin waar veel word gerookt en
gedronken hebben de kinderen een grotere kans om ook te gaan roken en drinken.
Jongeren die gaan drinken onder invloed van vrienden is ook een vorm van imitatie.
Persoonlijke identiteit: Eigen verleden, eigen karakter en een eigen mening.
Identiteit: Wat eigen is aan iemand. Wie jij bent en wat je onderscheidt van anderen
bepaal je deels zelf, maar ontstaat ook door wat anderen van je vinden.
Nederlandse identiteit: Hangt af van wat je belangrijker vindt; dat wat ons bindt als
groep of juist de verschillen in de groep.
Waarde individuele vrijheid vinden veel Nederlanders belangrijk. Dat veel mensen
deze waarde delen zie je terug in de gedragsregels (normen) over homoseksualiteit,
euthanasie en abortus.
Expliciete cultuur: symbolen en uiterlijkheden (vlag)
Normen (regel dat je iedereen gelijk behandeld)
Impliciete cultuur: waarden en overtuigingen (individuele vrijheid)
Pluriformiteit: meerdere vormen hebben.
We geven vandaag de dag meer om ‘onze cultuur’ meer vrijwilligerswerk, donateurs.
Dominante cultuur: De waarden, normen en symbolen van de overheersende
groep in de samenleving.
CDA vindt dat NL een gezamenlijke sociale identiteit moet hebben en de dominante
cultuur van NL moet niet gaan lijken op een van de subculturen.
Subcultuur Wijkt op een aantal punten af van de dominante cultuur, maar zet zich
niet af tegen de waarden en normen van de meerderheid.
De binding in de samenleving kan onderdruk komen te staan. Als veel mensen zich
hierbij aansluiten ontstaat er een tegencultuur. Tegenculturen verkeren vaak op
voet van conflict(en) met de dominante cultuur en proberen deze te veranderen.
Sociale cohesie: Onderlinge verbondenheid is belangrijk voor je gevoel van
veiligheid en het geeft je een identiteit.
In een groep is er vaak sociale druk om te drinken. Als je niet meedrinkt ben je
‘ongezellig’.
Primaire socialisatie: Het proces tijdens je opvoeding waar je ouders je bijbrengen
wat (ab)normaal gedrag is en wat onbelangrijk is. Je leert over persoonlijke waarden;
zorgzaamheid en eerlijkheid.
Imitatie speelt een rol bij roken en drinken. In een gezin waar veel word gerookt en
gedronken hebben de kinderen een grotere kans om ook te gaan roken en drinken.
Jongeren die gaan drinken onder invloed van vrienden is ook een vorm van imitatie.