BIOLOGIE (samenvatting toetsweek 4)
Bij ecologen die het ecosysteem bestuderen is de soort helemaal niet meer zo van
belang, wel wat deze doet. Zijn functie in het systeem van kringlopen betreft vaak de
omzetting van biomassa. Planten zijn dan producenten, dieren zijn consumenten,
ongeacht de soort.
Wat een plant vormt tot iets:
- Omgevingsfactoren die op invloed zijn van de plant.
- De manier waarop de planten hun omgeving handhaven.
Konijnen eten van de bladeren en knoppen in hun omgeving (voedselrelatie). Ze
maken een hol ter bescherming (woonrelatie) en om er jongen in voort te brengen.
Ze paren met soortgenoten (voortplantingsrelatie). Ze worden onder andere
gegeten door vossen, hermelijnen en buizerds (voedselrelatie). In hun pels leven
luizen en vlooien (voedselrelatie). Ze kunnen ziek worden door het
myxomatosevirus (voedselrelatie).
De droogte in de duinen en de
waterstand in het weiland zijn abiotische factoren (behorende tot de niet-levende
natuur). Ook de bodemgesteldheid (zand, veen, klei) noem je een abiotische factor.
De helmplanten, de bramenstruiken, de kievit, de wijngaardslak, de wormen en de
kevers zijn biotische factoren (= levend of levend geweest).
In elk gebied hebben de voorkomende biotische en abiotische factoren met elkaar te
maken: ze vormen meestal in hun samenhang een kenmerkend en min of meer
begrensd geheel. Zo’n min of meer begrensd gebied waarin abiotische en biotische
factoren een eenheid vormen = ecosysteem. Een ecosysteem functioneert als een
totaliteit en heeft een min of meer vaste soortensamenstelling. Alle planten en dieren
samen binnen een ecosysteem = levensgemeenschap.
1
Bij ecologen die het ecosysteem bestuderen is de soort helemaal niet meer zo van
belang, wel wat deze doet. Zijn functie in het systeem van kringlopen betreft vaak de
omzetting van biomassa. Planten zijn dan producenten, dieren zijn consumenten,
ongeacht de soort.
Wat een plant vormt tot iets:
- Omgevingsfactoren die op invloed zijn van de plant.
- De manier waarop de planten hun omgeving handhaven.
Konijnen eten van de bladeren en knoppen in hun omgeving (voedselrelatie). Ze
maken een hol ter bescherming (woonrelatie) en om er jongen in voort te brengen.
Ze paren met soortgenoten (voortplantingsrelatie). Ze worden onder andere
gegeten door vossen, hermelijnen en buizerds (voedselrelatie). In hun pels leven
luizen en vlooien (voedselrelatie). Ze kunnen ziek worden door het
myxomatosevirus (voedselrelatie).
De droogte in de duinen en de
waterstand in het weiland zijn abiotische factoren (behorende tot de niet-levende
natuur). Ook de bodemgesteldheid (zand, veen, klei) noem je een abiotische factor.
De helmplanten, de bramenstruiken, de kievit, de wijngaardslak, de wormen en de
kevers zijn biotische factoren (= levend of levend geweest).
In elk gebied hebben de voorkomende biotische en abiotische factoren met elkaar te
maken: ze vormen meestal in hun samenhang een kenmerkend en min of meer
begrensd geheel. Zo’n min of meer begrensd gebied waarin abiotische en biotische
factoren een eenheid vormen = ecosysteem. Een ecosysteem functioneert als een
totaliteit en heeft een min of meer vaste soortensamenstelling. Alle planten en dieren
samen binnen een ecosysteem = levensgemeenschap.
1