DNA H30: Een individu kan eigenschappen van zijn beide ouders krijgen wanneer
sprake is van geslachtelijke voortplanting. Bij de geslachtelijke voortplanting
versmelten de kernen van de vrouwelijke geslachtscel (eicel) en de mannelijke
geslachtscel (zaadcel) met elkaar. De cel die na versmelting ontstaat, heet de
zygote. De zygote groeit uit tot een nieuw individu.
Voordat de kernen van eicel en zaadcel met elkaar versmelten, moet het erfelijk
materiaal in de beide kernen gehalveerd worden. Gebeurt dat niet, dan zou de
zygote twee keer zoveel chromosomen hebben als normaal. De halvering gebeurt
voorafgaand aan de vorming van de geslachtscellen. Het in tweeën delen van het
erfelijk materiaal heet de meiose. Je noemt het ook wel reductiedeling, omdat het
aantal chromosomen wordt gereduceerd tot de helft.
Bij mannen vindt meiose plaats in de zaadbuisjes in de teelballen, vanaf de puberteit
tot op hoge leeftijd.
Bij vrouwen begint de meiose al tijdens de foetale ontwikkeling, vóór de geboorte.
De meiose stopt in een bepaald delingsstadium, totdat het meisje in de puberteit
komt. Dan wordt het delingsproces elke maand bij een onrijpe eicel hervat, die
vervolgens volledig rijpt om eventueel bevrucht te gaan worden. Dit proces
van eirijping gaat bij vrouwen door tot ongeveer hun 45 ste levensjaar.
De geslachtscellen die na meiose ontstaan, bevatten het totale pakket erfelijke
eigenschappen in enkelvoud (haploïd). Bij de versmelting van een zaadcel met een
eicel komen de erfelijke eigenschappen van de moeder en de vader bij elkaar. De
zygote en alle andere cellen die daaruit groeien, zijn weer diploïd: ze hebben de
dubbele set chromosomen.
Net als bij de mitose wordt ook voorafgaand aan de meiose het DNA verdubbeld. De
chromosomen gaan in het equatoriale vlak liggen, maar anders dan tijdens de mitose
rangschikken ze zich nu paarsgewijs: de homologe chromosomen gaan naast
elkaar liggen. Homologe chromosomen zijn de gelijksoortige chromosomen
afkomstig van de beide ouders. Er wordt ook nu een spoelfiguur gevormd, maar wat
er naar de polen getrokken wordt, zijn niet de chromatiden, maar de volledige
chromosomen.
Aan het eind van dit deel van het proces (meiose I) is het aantal chromosomen
gehalveerd. Er zijn nu twee haploïde cellen ontstaan. Elke haploïde cel gaat nu
over tot het tweede deel van de meiose (die hetzelfde verloopt als een mitose): er
wordt weer een spoelfiguur gevormd en nu worden de chromosomen gesplitst in de
chromatiden. De tweede deling noem je de meiose II. Na een meiose ontstaan dus
altijd vier haploïde cellen.