BIOLOGIE (samenvatting toetsweek 2)
Prikkel; verandering die je kunt waarnemen.
Je hebt veel verschillende soorten prikkels, zoals geluid, geur, koude en licht. De
receptoren zijn gespecialiseerd in het opvangen en verwerken van een bepaald
soort prikkel. Receptoren reageren op een prikkel door deze om te zetten in een
elektrisch stroompje, de impuls. Ze geven de impuls door aan een zenuwcel. De
zenuwcel vervoert de impulsen naar het centrale zenuwstelsel (hersenen en
ruggenmerg). Hersenen, ruggenmerg en zenuwcellen werken uitsluitend met
impulsen. Je kunt dus zeggen dat receptoren alle prikkels - zoals geluid-, geur- of
lichtprikkels - vertalen tot één taal, namelijk die van het zenuwstelsel.
Sensorische zenuwcellen = gevoelszenuwcellen
Motorische zenuwcellen = bewegingszenuwcellen
Adequate prikkel: prikkel waarvoor zenuwcel gespecialiseerd is.
Receptoren van je oog zijn gevoelig voor licht, maar alleen als je een harde klap op
je oog krijgt, geven ze ook impulsen door (je 'ziet sterretjes'). Ze zijn dus ook wel
gevoelig voor die klap. De prikkels die de lichtreceptoren doorgeven, worden als licht
('sterretjes') ervaren, omdat het bericht in het deel van de hersenen terecht komt
waar beelden verwerkt worden. Die dreun is een niet-adequate prikkel voor je
oogreceptoren. De 'sterretjes' is dat wat de hersenen ervan maakten. Lichtprikkels
zijn de adequate prikkels voor het oog.
De zwakste prikkel waardoor een receptor nog geprikkeld kan worden, noem je de
drempelwaarde. Een prikkel, die onder de drempelwaarde zit, levert geen impulsen
op. Voor niet-adequate prikkels is de drempelwaarde van een receptor altijd een stuk
hoger. Er is heel weinig licht nodig om iets te zien, maar bij een zekere druk (d.w.z.
vrij veel energie) op het oog zie je 'sterretjes'. De drempelwaarde is niet altijd even
hoog. Als een prikkeling een tijdje aanhoudt, worden er vaak geen impulsen meer
doorgegeven. Als je bijvoorbeeld een lokaal binnenkomt, waar het stinkt, omdat de
klas het uur daarvoor heeft zitten zweten op een toets, ruik je dat na een paar
minuten al niet meer. We noemen dit gewenning. Bij gewenning wordt de
drempelwaarde hoger. Zodra de prikkel sterker wordt, merk je het weer wel.
Hoe sterk of zwak een prikkel is, er ontstaat altijd dezelfde impuls; de sterkte van het
stroompje is altijd hetzelfde. Wat wel varieert, is de impulsfrequentie: de
hoeveelheid impulsen per seconde. Wanneer een prikkel sterker is, worden er per
seconde meer impulsen doorgegeven. Impulsen ontstaan wel óf niet en nooit een
beetje. Dit wordt wel de alles-of-niets-wet genoemd. De impulsfrequentie wordt
opgevoerd bij het sterker worden van de prikkel. In de hersenen wordt de hogere
impulsfrequentie waargenomen bijvoorbeeld als een harder geluid of feller licht.
Prikkel; verandering die je kunt waarnemen.
Je hebt veel verschillende soorten prikkels, zoals geluid, geur, koude en licht. De
receptoren zijn gespecialiseerd in het opvangen en verwerken van een bepaald
soort prikkel. Receptoren reageren op een prikkel door deze om te zetten in een
elektrisch stroompje, de impuls. Ze geven de impuls door aan een zenuwcel. De
zenuwcel vervoert de impulsen naar het centrale zenuwstelsel (hersenen en
ruggenmerg). Hersenen, ruggenmerg en zenuwcellen werken uitsluitend met
impulsen. Je kunt dus zeggen dat receptoren alle prikkels - zoals geluid-, geur- of
lichtprikkels - vertalen tot één taal, namelijk die van het zenuwstelsel.
Sensorische zenuwcellen = gevoelszenuwcellen
Motorische zenuwcellen = bewegingszenuwcellen
Adequate prikkel: prikkel waarvoor zenuwcel gespecialiseerd is.
Receptoren van je oog zijn gevoelig voor licht, maar alleen als je een harde klap op
je oog krijgt, geven ze ook impulsen door (je 'ziet sterretjes'). Ze zijn dus ook wel
gevoelig voor die klap. De prikkels die de lichtreceptoren doorgeven, worden als licht
('sterretjes') ervaren, omdat het bericht in het deel van de hersenen terecht komt
waar beelden verwerkt worden. Die dreun is een niet-adequate prikkel voor je
oogreceptoren. De 'sterretjes' is dat wat de hersenen ervan maakten. Lichtprikkels
zijn de adequate prikkels voor het oog.
De zwakste prikkel waardoor een receptor nog geprikkeld kan worden, noem je de
drempelwaarde. Een prikkel, die onder de drempelwaarde zit, levert geen impulsen
op. Voor niet-adequate prikkels is de drempelwaarde van een receptor altijd een stuk
hoger. Er is heel weinig licht nodig om iets te zien, maar bij een zekere druk (d.w.z.
vrij veel energie) op het oog zie je 'sterretjes'. De drempelwaarde is niet altijd even
hoog. Als een prikkeling een tijdje aanhoudt, worden er vaak geen impulsen meer
doorgegeven. Als je bijvoorbeeld een lokaal binnenkomt, waar het stinkt, omdat de
klas het uur daarvoor heeft zitten zweten op een toets, ruik je dat na een paar
minuten al niet meer. We noemen dit gewenning. Bij gewenning wordt de
drempelwaarde hoger. Zodra de prikkel sterker wordt, merk je het weer wel.
Hoe sterk of zwak een prikkel is, er ontstaat altijd dezelfde impuls; de sterkte van het
stroompje is altijd hetzelfde. Wat wel varieert, is de impulsfrequentie: de
hoeveelheid impulsen per seconde. Wanneer een prikkel sterker is, worden er per
seconde meer impulsen doorgegeven. Impulsen ontstaan wel óf niet en nooit een
beetje. Dit wordt wel de alles-of-niets-wet genoemd. De impulsfrequentie wordt
opgevoerd bij het sterker worden van de prikkel. In de hersenen wordt de hogere
impulsfrequentie waargenomen bijvoorbeeld als een harder geluid of feller licht.