Samenvatting Vakdidactiek Basis
Geschiedenis van het vak Nederlands
Ontwikkeling van het vak:
1. Literair-grammaticaal paradigma (19de eeuw)
a. Spelling en grammatica onderwezen adhv literaire teksten uit de 16 de en 17de eeuw
b. Is het fundament van het huidige taalonderwijs, zoals de:
De traditionele schoolgrammatica
Ervarend lezen en/of literatuuronderwijs
2. Creatief-expressief paradigma (vanaf ca. 1900)
a. Vooral in vernieuwingsscholen als Montessori en Jenaplan, nu nog steeds
b. Reguliere scholen: oude paradigma met actuele literatuur/vaardigheden schoolboeken
3. Communicatief-emancipatoir paradigma (vanaf ca. 1970) (betekent vrijgemaakt, van emancipatie)
a. Meer taalbeschouwing: het reflecteren op taal en taalgebruik in concrete situaties
b. Erkenning van de eigen taal van de leerlingen (dialecten)
c. Naast de literair-historische benadering kwam tekstanalyse en lezerservaring
d. Communicatieonderwijs
4. Communicatief-functioneel paradigma (vanaf ca. 1990)
a. Deelvaardigheden onderwijs (eindtermen: detaillering en verzakelijking)
b. Nadruk op vaardigheden zoals in het referentiekader taal beschreven
c. Communicatief (functioneel) taalonderwijs
Waarschijnlijk gaan we nu meer richting het sociaal-cultureel paradigma
Bronset heeft het vooral over communicatief taalonderwijs, daar zoomen we op in
Communicatief taalonderwijs = Taalonderwijs waarin leerlingen taal leren gebruiken met verschillende
functies in verschillende communicatieve situaties, waarbij ze reflecteren op taalgebruik, ter
verbetering van de taalvaardigheid
9 verschuivingen/vernieuwingen binnen het vak Nederlands ivm communicatief taalonderwijs icm de
vernieuwde kerndoelen ipv het traditionele Nederlands vanaf 1993:
1. Meer aandacht voor mondelinge (taal)vaardigheden (spreek en luistersituaties oefenen)
2. Taalbeschouwing als reflectie en niet als ontleedonderwijs (had geen effect op taalvaadigheid)
3. Meer en andere aandacht voor fictieonderwijs (lezen en fictie zijn 2 vakaparte onderdelen + tv)
4. Aandacht voor taalvariatie (taalbeschouwing voor taalvaardigheid én taalculturele vorming)
5. Aandacht voor de (massa)media (dus informatieoverdracht)
6. Aandacht voor informatievaardigheden (info verwerven/verwerken en computervaardigheden)
7. Aandacht voor vaardigheden die bij andere schoolvakken een rol spelen (instructie lezen, etc)
8. Deelvaardigheden worden geoefend in dienst van hun toepassing in taalgebruiksituaties
9. Van productgerichte naar product- en procesgerichte aanpak (belangrijk: oriëntatie en reflectie)
4 onderwijskerngebieden van het vak Nederlands:
1. Taalvaardigheidsonderwijs (lezen, schrijven, spreken, luisteren en gesprekken voeren)
2. Taalbeschouwingsonderwijs (reflectie ter verbetering van de taalvaardigheid)
3. Fictieonderwijs (in aanraking komen met verhalen, romans, films, gedichten, etc.)
4. Onderwijs in taalvariatie (dialecten, groepstalen, etc.)
1
, Nederlands in de basisvorming (onderbouw) – vakdidactische uitgangspunten
In 1993 werd de basisvorming ingevoerd in de 1ste 3 jaren in het voortgezet onderwijs
Belangrijkste kenmerken Communicatief taalonderwijs:
1. Communicatief taalonderwijs moet bestaan uit
a. totaalvaardigheden
b. verschillende functionele, realistische situaties, waarin dus steeds sprake is van een
complete (herkenbare) communicatieve situatie
c. waarbij wel gericht aandacht besteed wordt aan deelvaardigheden
d. oplopend door de tijd in moeilijkheidsgraad
2. Strategisch
3. Betekenisvol
4. Sociaal
5. Mondeling, schriftelijk en productief, receptief (en dit in enige zin gecombineerd)
6. Bewust reflecteren op de taal (ter verbetering van de taalvaardigheid)
Structuur ter voorkoming van vrijblijvendheid bij het vak Nederlands (3 opbouwprincipes):
1. Indeling van de leerstof in basisvaardigheden, deelvaardigheden en totaalvaardigheden
2. Scheppen en aangeven van mogelijkheden tot transfer van de leerstof
3. Ordening van de leerstof naar toenemende complexiteit
De opbouw van communicatief taalonderwijs, dus de 3 opbouwprincipes:
Deze staan vaak bij de deeltaken van
een methode, leren hoeft dus niet
Strategieën Transfer tussen
taken die sterk
Didactisch model OVUR(R):
op elkaar lijken
1. Oriënteren
2. Voorbereiden / Verkennen
3. Uitvoeren De ene taak
4. Reflecteren op het product kan worden
5. Reflecteren op het proces toegepast bij
de andere taak
B. Transfer (is geleerde kennis en vaardigheden toepassen)
2
Geschiedenis van het vak Nederlands
Ontwikkeling van het vak:
1. Literair-grammaticaal paradigma (19de eeuw)
a. Spelling en grammatica onderwezen adhv literaire teksten uit de 16 de en 17de eeuw
b. Is het fundament van het huidige taalonderwijs, zoals de:
De traditionele schoolgrammatica
Ervarend lezen en/of literatuuronderwijs
2. Creatief-expressief paradigma (vanaf ca. 1900)
a. Vooral in vernieuwingsscholen als Montessori en Jenaplan, nu nog steeds
b. Reguliere scholen: oude paradigma met actuele literatuur/vaardigheden schoolboeken
3. Communicatief-emancipatoir paradigma (vanaf ca. 1970) (betekent vrijgemaakt, van emancipatie)
a. Meer taalbeschouwing: het reflecteren op taal en taalgebruik in concrete situaties
b. Erkenning van de eigen taal van de leerlingen (dialecten)
c. Naast de literair-historische benadering kwam tekstanalyse en lezerservaring
d. Communicatieonderwijs
4. Communicatief-functioneel paradigma (vanaf ca. 1990)
a. Deelvaardigheden onderwijs (eindtermen: detaillering en verzakelijking)
b. Nadruk op vaardigheden zoals in het referentiekader taal beschreven
c. Communicatief (functioneel) taalonderwijs
Waarschijnlijk gaan we nu meer richting het sociaal-cultureel paradigma
Bronset heeft het vooral over communicatief taalonderwijs, daar zoomen we op in
Communicatief taalonderwijs = Taalonderwijs waarin leerlingen taal leren gebruiken met verschillende
functies in verschillende communicatieve situaties, waarbij ze reflecteren op taalgebruik, ter
verbetering van de taalvaardigheid
9 verschuivingen/vernieuwingen binnen het vak Nederlands ivm communicatief taalonderwijs icm de
vernieuwde kerndoelen ipv het traditionele Nederlands vanaf 1993:
1. Meer aandacht voor mondelinge (taal)vaardigheden (spreek en luistersituaties oefenen)
2. Taalbeschouwing als reflectie en niet als ontleedonderwijs (had geen effect op taalvaadigheid)
3. Meer en andere aandacht voor fictieonderwijs (lezen en fictie zijn 2 vakaparte onderdelen + tv)
4. Aandacht voor taalvariatie (taalbeschouwing voor taalvaardigheid én taalculturele vorming)
5. Aandacht voor de (massa)media (dus informatieoverdracht)
6. Aandacht voor informatievaardigheden (info verwerven/verwerken en computervaardigheden)
7. Aandacht voor vaardigheden die bij andere schoolvakken een rol spelen (instructie lezen, etc)
8. Deelvaardigheden worden geoefend in dienst van hun toepassing in taalgebruiksituaties
9. Van productgerichte naar product- en procesgerichte aanpak (belangrijk: oriëntatie en reflectie)
4 onderwijskerngebieden van het vak Nederlands:
1. Taalvaardigheidsonderwijs (lezen, schrijven, spreken, luisteren en gesprekken voeren)
2. Taalbeschouwingsonderwijs (reflectie ter verbetering van de taalvaardigheid)
3. Fictieonderwijs (in aanraking komen met verhalen, romans, films, gedichten, etc.)
4. Onderwijs in taalvariatie (dialecten, groepstalen, etc.)
1
, Nederlands in de basisvorming (onderbouw) – vakdidactische uitgangspunten
In 1993 werd de basisvorming ingevoerd in de 1ste 3 jaren in het voortgezet onderwijs
Belangrijkste kenmerken Communicatief taalonderwijs:
1. Communicatief taalonderwijs moet bestaan uit
a. totaalvaardigheden
b. verschillende functionele, realistische situaties, waarin dus steeds sprake is van een
complete (herkenbare) communicatieve situatie
c. waarbij wel gericht aandacht besteed wordt aan deelvaardigheden
d. oplopend door de tijd in moeilijkheidsgraad
2. Strategisch
3. Betekenisvol
4. Sociaal
5. Mondeling, schriftelijk en productief, receptief (en dit in enige zin gecombineerd)
6. Bewust reflecteren op de taal (ter verbetering van de taalvaardigheid)
Structuur ter voorkoming van vrijblijvendheid bij het vak Nederlands (3 opbouwprincipes):
1. Indeling van de leerstof in basisvaardigheden, deelvaardigheden en totaalvaardigheden
2. Scheppen en aangeven van mogelijkheden tot transfer van de leerstof
3. Ordening van de leerstof naar toenemende complexiteit
De opbouw van communicatief taalonderwijs, dus de 3 opbouwprincipes:
Deze staan vaak bij de deeltaken van
een methode, leren hoeft dus niet
Strategieën Transfer tussen
taken die sterk
Didactisch model OVUR(R):
op elkaar lijken
1. Oriënteren
2. Voorbereiden / Verkennen
3. Uitvoeren De ene taak
4. Reflecteren op het product kan worden
5. Reflecteren op het proces toegepast bij
de andere taak
B. Transfer (is geleerde kennis en vaardigheden toepassen)
2