Paragraaf 1
De geestelijken
- Frankische (Germaanse stam) onder leiding van Clovis (481-511) rond Parijs veroverde groot
land in West-Europa (o.a. FRANKrijk) Clovis was christen en zo ook zijn rijk (onder dwang)
Toen werd Karel de Grote koning, toen grootste omvang. o.a. saksen onderworpen
(heidenen -> christenen)
- Ze zagen christendom als temmer. Hoe te werk?: 1, monniken in klooster terwijl
bekeringswerk, aantrekking. 2, machthebbers 1ste bekeren en steun krijgen.
- Welvaart bij christenen was erg goed dus Oost-Europa werd ook daarna ook op Balkan en
Rusland vanuit Byzantijnse rijk (oost-RR).
- Reguliere geestelijken: wonen in kloosters (monikken en nonnen), leefden volgens regulae
(regels)
- Invloed: 1, ze hebben en geven de meeste info. 2, geestelijke leiders in gebieden als leidsman
aanvaard. 3, paus kan koningen in de ban doen. 4, kerk bezit grote rijkdommen. 5, grote
invloed op literatuur, kunst en wetenschap.
- Seculiere geestelijken -> in de wereld
Paragraaf 2
De boeren
- In romeinse rijk was een agrarische-urbane cultuur (ze leefde van de landbouw en handel en
nijverheid). In vroege middeleeuwen (500-1500) verandering, West-Europa werd Agrarisch.
Grond moest worden verdeeld. Dit ging via een hofstelsel (domeinstelsel)
- Kenmerken van het stelsel: 1, in het midden de woning grootgrondbezitter, rest omheen. 2,
op domeinen zorgde mensen voor al het nodigen.
- Rijke mensen bezitten meer dan 1 domein, bestuurd door rentmeesters dan.
- 90% van de bevolking woonde op een domein, 10% was vrije boer.
- Horigen: mogen niet verhuizen, niet trouwen met iemand buiten het domein, was erfelijk,
hadden verplichtingen (als pacht deel van opbrengst aan heer afstaan & herendiensten
verrichten.
Paragraaf 3
De edelen
- Edelen leefden van de arbeid van de boeren in wel voor bestuur domein, spraken recht over
onderdanen, voor de zo nodig oorlog.
- Hogere adel -> graven, hertogen (grote berg te, meer dan 1 domein)
- Lagere adel -> edelen, ridders (kleine kastelen, 1 domein)
- Hoe hoger de adelen hadden vooral veel land voor veel bescherming van bezittingen.
- Leenheer -> leenman (vazallen (dienaar, helper) -> achterleenman
- Deze vorm van bestuur heet leenstelsel of feodalisme. (feodum= leen)
- Leenstelsel= Een vorm van bestuur waarbij een leenheer een groot deel van zijn macht
uitleent aan leenmannen. Leenheer en leenman sluiten verdrag, Maar geen verplichtingen
die zij tegen over elkaar hebben worden vastgelegd.
De geestelijken
- Frankische (Germaanse stam) onder leiding van Clovis (481-511) rond Parijs veroverde groot
land in West-Europa (o.a. FRANKrijk) Clovis was christen en zo ook zijn rijk (onder dwang)
Toen werd Karel de Grote koning, toen grootste omvang. o.a. saksen onderworpen
(heidenen -> christenen)
- Ze zagen christendom als temmer. Hoe te werk?: 1, monniken in klooster terwijl
bekeringswerk, aantrekking. 2, machthebbers 1ste bekeren en steun krijgen.
- Welvaart bij christenen was erg goed dus Oost-Europa werd ook daarna ook op Balkan en
Rusland vanuit Byzantijnse rijk (oost-RR).
- Reguliere geestelijken: wonen in kloosters (monikken en nonnen), leefden volgens regulae
(regels)
- Invloed: 1, ze hebben en geven de meeste info. 2, geestelijke leiders in gebieden als leidsman
aanvaard. 3, paus kan koningen in de ban doen. 4, kerk bezit grote rijkdommen. 5, grote
invloed op literatuur, kunst en wetenschap.
- Seculiere geestelijken -> in de wereld
Paragraaf 2
De boeren
- In romeinse rijk was een agrarische-urbane cultuur (ze leefde van de landbouw en handel en
nijverheid). In vroege middeleeuwen (500-1500) verandering, West-Europa werd Agrarisch.
Grond moest worden verdeeld. Dit ging via een hofstelsel (domeinstelsel)
- Kenmerken van het stelsel: 1, in het midden de woning grootgrondbezitter, rest omheen. 2,
op domeinen zorgde mensen voor al het nodigen.
- Rijke mensen bezitten meer dan 1 domein, bestuurd door rentmeesters dan.
- 90% van de bevolking woonde op een domein, 10% was vrije boer.
- Horigen: mogen niet verhuizen, niet trouwen met iemand buiten het domein, was erfelijk,
hadden verplichtingen (als pacht deel van opbrengst aan heer afstaan & herendiensten
verrichten.
Paragraaf 3
De edelen
- Edelen leefden van de arbeid van de boeren in wel voor bestuur domein, spraken recht over
onderdanen, voor de zo nodig oorlog.
- Hogere adel -> graven, hertogen (grote berg te, meer dan 1 domein)
- Lagere adel -> edelen, ridders (kleine kastelen, 1 domein)
- Hoe hoger de adelen hadden vooral veel land voor veel bescherming van bezittingen.
- Leenheer -> leenman (vazallen (dienaar, helper) -> achterleenman
- Deze vorm van bestuur heet leenstelsel of feodalisme. (feodum= leen)
- Leenstelsel= Een vorm van bestuur waarbij een leenheer een groot deel van zijn macht
uitleent aan leenmannen. Leenheer en leenman sluiten verdrag, Maar geen verplichtingen
die zij tegen over elkaar hebben worden vastgelegd.