Leerdoelen
Aan het einde van de les kan de student:
1. In een gesimuleerde setting de temperatuur meten bij een zorgvrager.
2. In een gesimuleerde setting de hartslag (=pols) meten bij een zorgvrager.
3. In een gesimuleerde setting de bloeddruk meten bij een zorgvrager.
4. Afwijkende waarden signaleren, interpreteren en hierop de juiste acties uitvoeren bij
bovenstaande vitale functies.
5. Verschillende indicaties benoemen voor het meten van de lichaamstemperatuur.
6. Benoemen welke factoren van invloed zijn op de lichaamstemperatuur.
7. Benoemen met welke factoren er rekening gehouden moet worden bij het interpreteren van de
gemeten lichaamstemperatuur.
8. Uitleggen wat het verschil is tussen koorts en hyperthermie.
9. De werkwijze en aandachtspunten toelichten bij het bepalen van de lichaamstemperatuur.
10. Redenen aangeven waarom de hartslag gecontroleerd wordt.
11. Benoemen welke externe en interne factoren van invloed zijn op de hartslag.
12. De werkwijze en aandachtspunten toelichten bij het bepalen van de hartstag (pols).
13. Redenen benoemen waarom en wanneer de bloeddruk gemeten moet worden.
14. Benoemen welke factoren er van invloed kunnen zijn op de bloeddruk.
15. De werkwijze en aandachtspunten toelichten bij het bepalen van de bloeddruk.
De controle van de vitale functies is een essentieel onderdeel van de ABCDE-methode. De
ABCDE-methode staat voor:
A) Airway (de luchtweg)
B) Breathing (de ademhaling)
C) Circulation (de circulatie – bloedsomloop)
D) Disabillity (het bewustzijn)
E) Exposure (de lichaamstemperatuur)
De volgende lichaamsfuncties vallen onder de term ‘vitale functies’:
- Hartslag
- Ademhaling
- Bloeddruk
- Lichaamstemperatuur
- Bewustzijn
Hartslag
Het hart en de bloedvaten vormen samen het circulatie systeem. Elke keer wanneer de
linkerhartkamer samentrekt, wordt bloed in de lichaamsslagader en de andere slagaders
gepompt. Hierdoor zetten de wanden van de slagaders uit om vervolgens weer hun
oorspronkelijke vorm aan te nemen. Dit heet pulsatie.
Plaatsen om de hartslag te meten:
Plaats Slagader
Slaap Slaapslagader
Hals Halsslagader
Arm Armslagader
Pols Polsslagader
Lies Liesslagader
, Knieholte Knieholteslagader
Voetrug Voetrugslagader
Onderbeen onderbeenslagader
Een normaal hartritme is 60-100 hartslagen per minuut.
Bij kinderen ligt dit hoger:
- Tot 1 jaar: 110-160 per minuut
- 1-2 jaar: 100-150 per minuut
- 2-5 jaar: 95-140 per minuut
- 5-12 jaar: 80-120 per minuut
- > 12 jaar/volwassenen: 60-100 per minuut
Interne en externe factoren (stress, spanning, koorts)
Een verhoogde of snelle hartslag heet tachycardie (>100 slagen per minuut). Dit kan
voorkomen bij koorts of stress.
Een verlaagde of langzame hartslag heet bradycardie (<50 slagen per minuut). Dit kan
voorkomen bij slapen of bij bepaalde medicijnen.
Waarom hartslag meten?
Het beoordelen van de hartslag geeft een indruk van de gezondheidssituatie van de
zorgvrager. Het aantal slagen per minuut (hartslagfrequentie) zegt iets over de behoefte van
het lichaam aan zuurstof en/of voeding. Is de behoefte door koorts of grote inspanning
groot, dan is de gemeten frequentie hoog.
Hartslag tellen
Wanneer verwacht wordt dat een zorgvrager mogelijk een stoornis in de circulatie heeft of
kan ontwikkelen, dan is het noodzakelijk de hartslag te tellen. Bijvoorbeeld bij:
- Aandoeningen aan het hart of hartklachten
- Voor en na een operatie
- Bij het gebruik van bepaalde medicijnen
Materialen
Voor het opmeten van de hartslag heb je een polsteller (zandloper) nodig of een horloge
met secondewijzer.
Werkwijze:
PDF bestand
Beoordeling hartslag op het volgende:
- Frequentie (hoe vaak trekt het hart per minuut samen)
- Regelmaat (gaan de hartslagen regelmatig, dus volgen ze op elkaar aan met een
gelijke pauze)
- Vulling (hoeveelheid bloed dat steeds wordt geperst)
- Gelijkmatigheid (wordt er evenveel bloed rondgepompt)
- Spanning (druk in de vaten)