Bachelor Rechtsgeleerdheid jaar 1 blok 3
Inleiding Strafrecht
, Hoofdstuk 1 – Inleiding
Strafrecht: Bestraft personen die strafbaar feit hebben gepleegd. Staat heeft hier monopolie op.
Civiel recht: Regelt de verhouding en zaken tussen burgers onderling.
Bestuursrecht: Regelt de wijze waarop het openbaar bestuur moet functioneren bij het nemen van be-
slissingen die de burger direct of indirect raken.
De Officier van justitie (OvJ) vertegenwoordigd het staatsorgaan belast met vervolging van verdachten
(het openbaar ministerie, OM). Vanuit civiel recht en strafrecht kan een dagvaarding worden verstuurd.
Vanuit het civiel recht sturen burgers deze onderling. Vanuit het strafrecht wordt deze door de OvJ ver-
stuurd. Alleen de OvJ kan verdachte voor de rechter brengen. Opleggen van straf heeft twee doelen:
Vergelding: Het kwaad dat de dader veroorzaakt wordt vergolden door leedtoevoeging (bv.
boete of gevangenisstraf). Dit zorgt voor morele genoegdoening.
Preventie: Om straf te voorkomen wordt strafbaar gedrag vermeden. Speciale preventie is ge-
richt op de dader en moet voorkomen dat deze weer de fout in gaat, bijvoorbeeld door voorwaar-
delijke straffen. Generale preventie is bedoeld om potentiële wetsovertreders, af te schrikken.
Het strafrecht kan worden onderverdeeld in drie delen:
1. Materieel strafrecht: heeft betrekking op de grenzen van de strafrechtelijke aansprakelijkheid
(wat is een strafbaar feit?). Hierbij wordt gekeken naar strafbepalingen (bv. diefstal), uitsluiting
van strafbaarheid (bv. noodweer) en uitbreiding van strafbaarheid (bv. medeplichtigheid).
2. Formeel strafrecht: Ook wel strafprocesrecht of strafvordering genoemd. Bepaalt welke regels
moeten worden gevolgd wanneer een norm van het materiële strafrecht is overtreden.
3. Sanctierecht: Stelt voorwaarden waaronder straffen mogen worden opgelegd en uitgevoerd.
Art. 107 Het strafrecht is verspreid over verschillende wetten. De Grondwet draagt de wetgever op om de regels
van het strafrecht en strafprocesrecht in wetboeken op te nemen. Hierin staan wetten waarin het alge-
mene deel van het strafrecht en strafprocesrecht is opgenomen, het commune strafrecht. Daarnaast
zijn veel strafbepalingen opgenomen in bijzondere strafwetten (bv. de Opiumwet). Deze vormen samen
het bijzondere strafrecht. Hierin staan vaak strafbepalingen vanuit het materiële strafrecht en bevoegd-
heden vanuit het formele strafrecht. Hier gaat het steeds om wetten in formele zin. Daarnaast zijn er ook
strafwetten in materiële zin, deze staan bijvoorbeeld in een APV.
Wetboek van Strafrecht (Sr) bestaat uit drie hoofdonderdelen:
- Boek 1: Algemene leerstukken van materieel strafrecht. Deze zijn van toepassing op alle straf-
baar gestelde delicten vanuit het Wetboek van strafrecht en vanuit bijzondere strafwetten en lo-
kale strafwetgeving. Hierin zijn ook veel regels m.b.t. het sanctierecht opgenomen.
- Boek 2 & 3: Hierin staan strafbepalingen: omschrijvingen van gedrag dat strafbaar is en aandui-
ding van de maximale straffen. Boek 2 is gericht op misdrijven en boek 3 op overtredingen.
Wetboek van Strafvordering (Sv) bestaat uit zes hoofdonderdelen:
- Boek 1: Algemene bepalingen: waarin belangrijkste bevoegdheden tijdens het opsporingsonder-
zoek worden geregeld.
- Boek 2: Strafvordering in eerste aanleg: regelt de vervolgingsbeslissing van de OvJ en de pro-
cedure voor berechting.
- Boek 3: Rechtsmiddelen: bv. mogelijkheid tot hoger beroep.
- Boek 6: Tenuitvoerlegging
Boek 4 en 5 zijn voor nu niet van belang. De wetboeken zijn al vaak gewijzigd door partiële wijzigingen
(gedeeltelijke wijziging van bestaand wetboek). Hierdoor zijn veel artikelen ingevoegd, waardoor ingewik-
kelde artikelnummers ontstonden. Ze zijn nu bezig met een modernisering van het hele Wetboek.
, Invloed van internationaal en supranationaal recht
Vanuit de verdragen vanuit het internationaal recht kan Nederland verplicht zijn om bepaald gedrag
strafbaar te stellen of bepaalde bevoegdheden in het leven te roepen. Daarnaast wordt het strafrecht
sterk beïnvloed door besluiten van de Europese Unie, uitspraken van het Hof van Justitie van de Euro-
pese Unie en uitspraken van het EHRM. Dit is supranationaal recht: regels die een internationale orga-
nisatie oplegt waar de lidstaten bij die organisatie zich aan moeten houden.
Hoofdstuk 2 – Inleiding materieel strafrecht
Materieel strafrecht bepaald welk gedrag strafbaar is. Dit wordt aangegeven door de wet en aangevuld
door de rechtspraak. Een strafbepaling bestaat bij voorkeur uit:
- Delictsomschrijving: Geeft aan welke ongewenste gedragingen strafbaar zijn.
- Kwalificatie-aanduiding: Geeft aan hoe het gedrag in juridisch opzicht moet worden benoemd.
- Strafbedreiging: Bepaalt welk soort straf mag worden opgelegd en wat het maximum is.
Vaak ontbreekt de kwalificatie-aanduiding. In bijzondere wetten zijn strafbepalingen nog weer anders op-
gebouwd en zijn de delictsomschrijving en strafbedreiging vaak uit elkaar getrokken (gelaagde structuur).
Het vierlagenmodel: Het strafbare feit kan in vier cumulatieve componenten worden opgebouwd:
1. Menselijke gedraging (MG): Gedraging moet verricht zijn door een mens: door een natuurlijk
persoon of rechtspersoon. Daarnaast moet het gaan om gedrag, gedachten zijn niet strafbaar. In
de tenlastelegging wordt beschreven welke gedraging de verdachte volgens de OvJ zou hebben
verricht. Het is vervolgens aan de rechter om te bepalen of de tenlastelegging bewezen kan
Art. 350 Sv worden verklaard, de bewezenverklaring.
2. Wettelijke delictsomschrijving (DO): Hierin worden ook de uitbreidingen van de strafbaarheid
(poging, voorbereiding en deelneming) meegenomen. Gedragingen moeten vallen binnen de
wettelijke delictsomschrijving: gedrag is pas strafbaar als zij in de strafwet terug te vinden is. De
feitelijke gedraging moet een juridische duiding/juridisch etiket krijgen. Delictsomschrijvingen zijn
vaak algemeen en kunnen interpretatieproblemen opleveren (zie bv. het elektriciteitsarrest).De
rechter moet hier de bewezen verklaarde feitelijke gedraging uit de tenlastelegging juridisch be-
noemen. Dit proces heet kwalificatie.
3. Wederrechtelijkheid (W): Zonder strijd met het recht kan ook geen straf volgen. Hierbij wordt
gekeken naar de gedraging; het gerechtvaardigd zijn van de daad. Wederrechtelijkheid wordt
vaak met de delictsomschrijving gegeven en is dan eigenlijk niet meer dan de veronderstelde
afwezigheid van een geldig excuus voor het vervullen van de delictsomschrijving. Er kunnen
echter omstandigheden zijn die het gedrag rechtvaardigen, rechtvaardigingsgronden. Wan-
neer hier sprake van is kwalificeert de rechter eerst wel het strafbare feit maar ziet vervolgens
toch af van veroordeling en geeft ontslag van alle rechtsvervolging.
4. Schuld (Als verwijtbaarheid – V): De mate waarin de gedraging aan de dader verweten kan
worden. Niemand mag gestraft zonder schuld. Schuld moet hier opgevat als verwijtbaarheid. Er
bestaat verwijtbaarheid wanneer iemand een reëel gedragsalternatief had maar hier niet naar
heeft gehandeld. Wie zich in redelijkheid kan onthouden van wetsovertreding, moet dat namelijk
ook doen. Ook de verwijtbaarheid wordt met de delictsomschrijving gegeven Verwijtbaarheid is
niet meer dan de veronderstelde afwezigheid van een reden die het gedrag kan verontschuldi-
gen, schulduitsluitingsgronden. De rechter zal hier moeten concluderen dat het feit weliswaar
bewezen, kwalificeerbaar en wederrechtelijk is, maar niet verwijtbaar. Ook hier volgt ontslag van
alle rechtsvervolging.
Art. 1 Sr. Strafbepalingen moeten in de wet te vinden zijn en mogen niet met terugwerkende kracht ingezet
Art. 16 Gw Dit is het legaliteitsbeginsel. De rechter moet in een vonnis altijd precies aangeven waar in de wet het
feit strafbaar is gesteld (kwalificatie).
, Art. 1.1 Sr Daarnaast moeten omschrijvingen van wettelijke strafbepalingen voldoende helder zijn. Dit vanwege de
rechtszekerheid. Echter is het onmogelijk om in detail elke strafbare gedraging te omschrijven. Strafbare
gedragingen zijn daarom veralgemeniseerd in de wet omschreven. De precieze inhoud van een term is
vaak een kwestie van interpretatie. Hiervoor bestaan verschillende methoden:
- Wetshistorische interpretatie: Totstandkomingsgeschiedenis van de bepaling van belang.
- Grammaticale interpretatie: Taalkundige betekenis van de woorden in de bepaling van belang.
- Systematische interpretatie: Systematiek van de wet van belang.
- Teleologische interpretatie: Doel van de wet(gever) van belang.
Er wordt vaak een combinatie van interpretatiemethoden toegepast.
Bestanddelen en elementen
De onderdelen van de delictsomschrijving noem je bestanddelen. De wederrechtelijkheid en verwijt-
baarheid worden elementen genoemd. Bestanddelen vind je in de wettekst terwijl elementen niet in de
wet opgenomen voorwaarden voor strafbaarheid zijn.
Vb. Art. 151a Sr: Hij die uit winstbejag opzettelijk bevordert dat een kind beneden de leeftijd van zes
maanden hetwelk niet onder voogdij van een rechtspersoon staat, zonder voorafgaande schriftelijke toe-
stemming van de raad voor de kinderbescherming, als pleegkind wordt opgenomen, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.
Bestandsdeel 1: Handelen uit winstbejag;
Bestandsdeel 2: Opzettelijk bevorderen;
Bestandsdeel 3: Kind beneden de leeftijd van zes maanden;
Bestandsdeel 4: Welk kind niet onder voogdij van een rechtspersoon staat;
Bestandsdeel 5: Zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de RVDK
Bestandsdeel 6: Als pleegkind opnemen
De volgorde en samenstelling maakt niet uit, zolang de OvJ wel alle bestanddelen in de tenlastelegging
opneemt. Vergeet hij een bestanddeel, dan kan het ten laste gelegde feit niet worden gekwalificeerd.
Wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid zijn niet apart in de wet opgenomen.. Wederrechtelijkheid is wel
altijd voorwaarde voor strafbaarheid. In sommige gevallen kan de wederrechtelijkheid wel in de delicts-
omschrijving staan. In dat geval is het een bestandsdeel en geen element, zie bijvoorbeeld art. 350 lid 1
Sr. Wanneer aan de delictsomschrijving is voldaan hoeft de wederrechtelijkheid niet meer apart vastge-
steld te worden. Er blijven dan nog maar drie lagen over in het vierlagen model. Ontbreekt de wederrech-
telijkheid, dan is er ook geen sprake vaan een delict.
Soorten delicten.
Strafbare feiten zijn onder te verdelen in misdrijven en overtredingen. Misdrijven zijn over het alge-
meen ernstigere feiten dan overtredingen (materiële benadering). Dit onderscheid is van belang omdat:
- Procesrechtelijke reden: De indeling bepaalt welke rechter bevoegd is (absolute competentie).
- Materieelrechtelijke reden: Poging en medeplichtigheid zijn bij overtredingen niet strafbaar, bij
misdrijven wel.
- Toepassing dwangmiddelen: veel dwangmiddelen mogen alleen bij verdenking van misdrijf
worden toegepast.
Delicten kunnen op verschillende manieren worden ingedeeld. Je hebt allereerst formele en materiële
delicten. Dit onderscheidt heeft betrekking op de manier waarop een delict in de wet is omschreven.
Daarnaast heb je commissie- en omissiedelicten en gekwalificeerde en geprivilegieerde delicten.