Hoorcolleges EBC
Hoorcollege 1 – Inleiding I
Cellen reageren op de signalen van buitenaf zoals: licht, hormonen,
chemicaliën ect. Het zijn organismen en dus moeten ze hun omgeving
waarnemen en erop reageren.
Streven naar optimale leefsituatie op 4 niveau’s:
cellulair niveau - intracellulair [K+], [glucose]
lokaal niveau (weefsel/orgaan) - lokale doorbloeding, motiliteit darmdeel
individueel niveau - pH of CO2 in bloed, lichaamstemperatuur
sociale groep - roedel- en territorium-gedrag
Homeostase wordt geregeld door: het meten van actuele situatie,
waarden of parameters dmv sensoren, zintuigen; vergelijken van actuele
waarden met normaal waarden en het activeren of remmen van
processen, zodat normale waarde (weer)
bereikt wordt.
SOTR – Stimulus Ontvanger Transductie
Respons
lage affiniteit geeft een hogere concentratie
nodig om de Vmax te verkrijgen.
Glucose -> insuline -> in spier-
vetcel en
glut4
-> lever
glucogeen
De glut4 gaat in het celmembraan, waardoor glucose wordt opgenomen.
Insuline zorgt voor een conformatieverandering van de receptor dimeer,
doordat de receptor wordt gefosforyleerd.
Regulatie van metabole paden, verandering van het
cytoskelet en regulatie van genexpressie. De receptor
blijft signalen geven, deze hopen op en versterken elkaar
tot er een enzym geacitveerd wordt. Hetzelfde signaal
kan in verschillende cellen een andere reactie geven,
omdat de cel van binnen anders werkt of een ander
soort receptor heeft die wel hetzelfde signaal ontvangt.
2 receptor soorten
a) Cell-surface receptors – zitten op het membraan en
binden grote,
hydrofiele extracellualire signaal moleculen (first
messengers) en
geven het signaal door aan intracellualire signaal moleculen (second
messengers) die binnen de cel het signaal versterken en doorgeven.
b) Intracellulaire receptors – in de nucleus en binden kleine, hydrofobe
extracellulaire
signaal moleculen.
1
,Hoorcolleges EBC
Signaalsoorten
a) Endocriene – heeft meerdere targets en kan zich ver verspreiden via
bv. de bloedbaan.
b) Paracriene – lokaal, de cel zend signalen uit naar nabijliggende cellen
(weefsels)
c) Neurale – via neuronen, deze staan direct in contact met de target, wel
verre afstanden. Neurotransmitters worden tijdens actieve fase vrijgelaten
en activeren de receptor, zodat
ionen door het kanaal kunnen en
er ontstaat een verandering in
het membraan potentiaal.
d) Contact afhankelijk –
overdracht alleen als het
membraan in contact is met de
ander.
Membraantransport eiwitten
- transport-eiwitten
- vasthechten aan andere cel of
extracellulaire matrix → linker-
eiwitten
- overbrengen informatie → receptoren
- membraan gebonden enzymen
Carrier-eiwitten geven conformatieverandering tijdens het proces,
molecule bind en daarna switched het kanaal de andere kant op open. Er
zijn 3 soorten:
- unipoort: een transportmolecule bind en gaat erdoor;
- symport: twee verschillende transportmoleculen gaan er tegelijk door
naar binnen/buiten;
- anitport: twee verschillende transportmoleculen gaan tegelijk, maar één
naar buiten en de
ander naar binnen.
Kanaal-eiwitten blijven doorstromen, maar er is wel
confromatieverandering bij het openen en sluiten. Beide kanaaltypen zijn
zeer specifiek.
2
,Hoorcolleges EBC
Actief transport is tegen de concentratiegradiënt in en er wordt altijd
energie voor gebruikt, al hoeft dit niet rechtstreeks te gebeuren.
Passief transport/facilitated diffussion gaat van een hoge naar lage
concentratie.
Hormonen – vier chemische groepen
1. Vetzuur afgeleide hormonen bevatten bv. componenten zoals
prostaglandine;
2. Aminozuur afgeleide hormonen bevatten de simpelste peptide
hormonen, Thyroïd,
epinephrine en norepinephrine die uit tyrosine gemaakt worden.
3. Peptide hormonen bestaan uit korte ketens, oxytocin en ADH en
langere ketens, groei
hormoon en TSH.
4. Steroïde hormonen uit cholesterol zoals: testosteron, estradiol en
ecdysone
Ze hebben kleine verschillen van soms maar één aminozuur en dus
moeten de receproten zeer specifiek zijn.
Hoorcollege 2 – Herstel van lichaamsfuncties door geneesmiddelen
Homeostase is het streven naar een optimaal evenwicht. Een ziekte is
dan ook het verstoren van de homeostase.
Farmacotherapie is het herstel van cel/orgaanfuncties en dus het herstel
van homeostase.
Farmaca en SOTR
Er wordt een chemische configuratie (farmacon) gemaakt, dit is een
imitatie van de lichaamseigen signaalstof. De farmaca heeft meerdere
aangrijpingspunten zoals: het signaal en de receptor, de second
messengers en de symptomen van de
cel.
De transductie is een extra
aangrijpingspunt.
Respons is dosis afhankelijk, na verhogen
komt deze steeds dichterbij de maximale
respons. Verandering begint pas bij de
effectieve dosis, te hoog kan giftig zijn,
maar te laag doet niets.
Farmacie is de leer van de bereiding
van geneesmiddelen.
Geneesmiddel
Stoffen en mengsels van verschillende stoffen die worden toegepast als:
- middelen met een therapeutische (genezende) werking bv. een
3
, Hoorcolleges EBC
antibioticum;
- middelen met een profylactische (preventieve) werking bv. een anti-
malaria middel;
- middelen die dienen om een diagnose te stellen bv. een oogdruppel die
door de oogarts
tijdens spreekuur wordt gebruikt;
- middelen die dienen om fysiologische functies bij de mens of het dier te
herstellen,
verbeteren of wijzigen b.v. te hoge bloeddruk; te veel maagzuur ect.
Medicijnen
Samenstelling van enkel- of meervoudige substanties die worden
gepresenteerd als therapeutische of profylactische eigenschappen met
betrekking tot ziekten;
Worden toegepast om: fysiologische functies te herstellen, verbeteren of
te wijzigen door farmacologisch, immunologisch of metabolisch effect te
verkrijgen of een medische diagnose te stellen.
Ze bestaan uit twee delen:
1) Een biologisch actieve stof (farmacon) mg/kg l.g.
2) De hulpstoffen, poeders, oplosmiddelen ect. 20ml/10kg l.g. tablet.
Het verschil in medicijnen tussen mens en dier zit in de hulpstof, de
farmacon is voor beide hetzelfde en van hoge kwaliteit. De hulpstoffen zijn
aan de soort aangepast qua bv. smaak en toediening mechanisme.
Farmacologie is de leer van de werking van medicijnen
Farmacodynamiek is de biologische werking; het veranderen van cel- en
orgaanfuncties, hieronder vallen ook de hoofwerkingen,
nevenwerkingen/bijwerkingen.
Farmacokinetiek is het lotgevallen van het farmacon in het lichaam; het
op de plaats van werking komen en het uitscheiden ervan.
Geneesmiddelen moeten wettelijk vastgesteld staan en zijn getest op:
farmaceutische kwaliteit, werkzaamheid (dynamiek, kinetiek en klinische
veldstudies) en op veiligheid.
Allopathie is farmacologisch, er wordt een geneesmiddel toegediend en
dus het molecule met de hulpstof.
Homeopathie is het verdunnen van stoffen waardoor er een werkende
functie aan kan zitten. Hierbij worden plant- en dierstoffen gebruikt.
Fytotherapie zit tussen beide in, plantstoffen worden gebruikt voor
lichaamsondersteuning, maar er moet goed gescreend worden naar hoe
veilig de dosis is.
--------------------------------------------------------------------------------------------------------
-------------------
Hoorcollege 3 – Signaal transductie
Cellen kunnen niet denken, ze reageren op de signalen. Glucagon zorgt
ervoor dat er geen glucose kan worden opgenomen door spier- en
4
Hoorcollege 1 – Inleiding I
Cellen reageren op de signalen van buitenaf zoals: licht, hormonen,
chemicaliën ect. Het zijn organismen en dus moeten ze hun omgeving
waarnemen en erop reageren.
Streven naar optimale leefsituatie op 4 niveau’s:
cellulair niveau - intracellulair [K+], [glucose]
lokaal niveau (weefsel/orgaan) - lokale doorbloeding, motiliteit darmdeel
individueel niveau - pH of CO2 in bloed, lichaamstemperatuur
sociale groep - roedel- en territorium-gedrag
Homeostase wordt geregeld door: het meten van actuele situatie,
waarden of parameters dmv sensoren, zintuigen; vergelijken van actuele
waarden met normaal waarden en het activeren of remmen van
processen, zodat normale waarde (weer)
bereikt wordt.
SOTR – Stimulus Ontvanger Transductie
Respons
lage affiniteit geeft een hogere concentratie
nodig om de Vmax te verkrijgen.
Glucose -> insuline -> in spier-
vetcel en
glut4
-> lever
glucogeen
De glut4 gaat in het celmembraan, waardoor glucose wordt opgenomen.
Insuline zorgt voor een conformatieverandering van de receptor dimeer,
doordat de receptor wordt gefosforyleerd.
Regulatie van metabole paden, verandering van het
cytoskelet en regulatie van genexpressie. De receptor
blijft signalen geven, deze hopen op en versterken elkaar
tot er een enzym geacitveerd wordt. Hetzelfde signaal
kan in verschillende cellen een andere reactie geven,
omdat de cel van binnen anders werkt of een ander
soort receptor heeft die wel hetzelfde signaal ontvangt.
2 receptor soorten
a) Cell-surface receptors – zitten op het membraan en
binden grote,
hydrofiele extracellualire signaal moleculen (first
messengers) en
geven het signaal door aan intracellualire signaal moleculen (second
messengers) die binnen de cel het signaal versterken en doorgeven.
b) Intracellulaire receptors – in de nucleus en binden kleine, hydrofobe
extracellulaire
signaal moleculen.
1
,Hoorcolleges EBC
Signaalsoorten
a) Endocriene – heeft meerdere targets en kan zich ver verspreiden via
bv. de bloedbaan.
b) Paracriene – lokaal, de cel zend signalen uit naar nabijliggende cellen
(weefsels)
c) Neurale – via neuronen, deze staan direct in contact met de target, wel
verre afstanden. Neurotransmitters worden tijdens actieve fase vrijgelaten
en activeren de receptor, zodat
ionen door het kanaal kunnen en
er ontstaat een verandering in
het membraan potentiaal.
d) Contact afhankelijk –
overdracht alleen als het
membraan in contact is met de
ander.
Membraantransport eiwitten
- transport-eiwitten
- vasthechten aan andere cel of
extracellulaire matrix → linker-
eiwitten
- overbrengen informatie → receptoren
- membraan gebonden enzymen
Carrier-eiwitten geven conformatieverandering tijdens het proces,
molecule bind en daarna switched het kanaal de andere kant op open. Er
zijn 3 soorten:
- unipoort: een transportmolecule bind en gaat erdoor;
- symport: twee verschillende transportmoleculen gaan er tegelijk door
naar binnen/buiten;
- anitport: twee verschillende transportmoleculen gaan tegelijk, maar één
naar buiten en de
ander naar binnen.
Kanaal-eiwitten blijven doorstromen, maar er is wel
confromatieverandering bij het openen en sluiten. Beide kanaaltypen zijn
zeer specifiek.
2
,Hoorcolleges EBC
Actief transport is tegen de concentratiegradiënt in en er wordt altijd
energie voor gebruikt, al hoeft dit niet rechtstreeks te gebeuren.
Passief transport/facilitated diffussion gaat van een hoge naar lage
concentratie.
Hormonen – vier chemische groepen
1. Vetzuur afgeleide hormonen bevatten bv. componenten zoals
prostaglandine;
2. Aminozuur afgeleide hormonen bevatten de simpelste peptide
hormonen, Thyroïd,
epinephrine en norepinephrine die uit tyrosine gemaakt worden.
3. Peptide hormonen bestaan uit korte ketens, oxytocin en ADH en
langere ketens, groei
hormoon en TSH.
4. Steroïde hormonen uit cholesterol zoals: testosteron, estradiol en
ecdysone
Ze hebben kleine verschillen van soms maar één aminozuur en dus
moeten de receproten zeer specifiek zijn.
Hoorcollege 2 – Herstel van lichaamsfuncties door geneesmiddelen
Homeostase is het streven naar een optimaal evenwicht. Een ziekte is
dan ook het verstoren van de homeostase.
Farmacotherapie is het herstel van cel/orgaanfuncties en dus het herstel
van homeostase.
Farmaca en SOTR
Er wordt een chemische configuratie (farmacon) gemaakt, dit is een
imitatie van de lichaamseigen signaalstof. De farmaca heeft meerdere
aangrijpingspunten zoals: het signaal en de receptor, de second
messengers en de symptomen van de
cel.
De transductie is een extra
aangrijpingspunt.
Respons is dosis afhankelijk, na verhogen
komt deze steeds dichterbij de maximale
respons. Verandering begint pas bij de
effectieve dosis, te hoog kan giftig zijn,
maar te laag doet niets.
Farmacie is de leer van de bereiding
van geneesmiddelen.
Geneesmiddel
Stoffen en mengsels van verschillende stoffen die worden toegepast als:
- middelen met een therapeutische (genezende) werking bv. een
3
, Hoorcolleges EBC
antibioticum;
- middelen met een profylactische (preventieve) werking bv. een anti-
malaria middel;
- middelen die dienen om een diagnose te stellen bv. een oogdruppel die
door de oogarts
tijdens spreekuur wordt gebruikt;
- middelen die dienen om fysiologische functies bij de mens of het dier te
herstellen,
verbeteren of wijzigen b.v. te hoge bloeddruk; te veel maagzuur ect.
Medicijnen
Samenstelling van enkel- of meervoudige substanties die worden
gepresenteerd als therapeutische of profylactische eigenschappen met
betrekking tot ziekten;
Worden toegepast om: fysiologische functies te herstellen, verbeteren of
te wijzigen door farmacologisch, immunologisch of metabolisch effect te
verkrijgen of een medische diagnose te stellen.
Ze bestaan uit twee delen:
1) Een biologisch actieve stof (farmacon) mg/kg l.g.
2) De hulpstoffen, poeders, oplosmiddelen ect. 20ml/10kg l.g. tablet.
Het verschil in medicijnen tussen mens en dier zit in de hulpstof, de
farmacon is voor beide hetzelfde en van hoge kwaliteit. De hulpstoffen zijn
aan de soort aangepast qua bv. smaak en toediening mechanisme.
Farmacologie is de leer van de werking van medicijnen
Farmacodynamiek is de biologische werking; het veranderen van cel- en
orgaanfuncties, hieronder vallen ook de hoofwerkingen,
nevenwerkingen/bijwerkingen.
Farmacokinetiek is het lotgevallen van het farmacon in het lichaam; het
op de plaats van werking komen en het uitscheiden ervan.
Geneesmiddelen moeten wettelijk vastgesteld staan en zijn getest op:
farmaceutische kwaliteit, werkzaamheid (dynamiek, kinetiek en klinische
veldstudies) en op veiligheid.
Allopathie is farmacologisch, er wordt een geneesmiddel toegediend en
dus het molecule met de hulpstof.
Homeopathie is het verdunnen van stoffen waardoor er een werkende
functie aan kan zitten. Hierbij worden plant- en dierstoffen gebruikt.
Fytotherapie zit tussen beide in, plantstoffen worden gebruikt voor
lichaamsondersteuning, maar er moet goed gescreend worden naar hoe
veilig de dosis is.
--------------------------------------------------------------------------------------------------------
-------------------
Hoorcollege 3 – Signaal transductie
Cellen kunnen niet denken, ze reageren op de signalen. Glucagon zorgt
ervoor dat er geen glucose kan worden opgenomen door spier- en
4