DE BETROUWBAARHEID EN VALIDITEIT VAN DE STRENGTHS AND
DIFFICULTIES QUESTIONNAIRE (SDQ)
Jayne Brink
Meten en diagnostiek 1
28 maart 2021
, BETROUWBAARHEID EN VALIDITEIT VAN DE SDQ 2
DE BETROUWBAARHEID EN VALIDITEIT VAN DE STRENGTHS AND
DIFFICULTIES QUESTIONNAIRE (SDQ)
Gedragsproblemen komen voor bij kinderen en jongeren en kunnen samenhangen
met de ontwikkelingsfase van het kind, maar kunnen ook een uiting zijn van een bedreigde
ontwikkeling of van de eerste symptomen van een psychische aandoening. De Strengths and
Difficulties Questionnaire (SDQ) is een korte vragenlijst voor kinderen tussen de 4 en 17 jaar
oud (Goodman, 1997). Er is een versie voor ouders, voor leerkrachten en voor kinderen zelf.
Het is een veelgebruikt instrument in onderzoek naar de geestelijke gezondheid van kinderen
(Vostanis, 2006).
De SDQ meet zowel de problemen als de vaardigheden van het individu. De vijf sub
schalen van de SDQ zijn de subschaal emotionele problemen, de subschaal
gedragsproblemen, de subschaal hyperactiviteit, de subschaal problemen met leeftijdsgenoten
en de subschaal prosociaal gedrag.
Op dit moment wordt de SDQ vooral gebruikt om een globaal beeld van het gedrag te
krijgen (Strengths & Difficulties Questionnaires (SDQ): screening, 2021). Voor het nemen
van belangrijke beslissingen op individueel niveau is een goede betrouwbaarheid en validiteit
is noodzakelijk. Om te onderzoeken of er belangrijke beslissingen op individueel niveau
genomen kunnen worden aan de hand van de resultaten van de SDQ is het belangrijk om te
onderzoeken hoe hoog de betrouwbaarheid en de validiteit van de SDQ is.
De betrouwbaarheid bepaalt in hoeverre de gegevens of de metingen consistent zijn.
Consistentie verwijst naar de mate waarin dezelfde resultaten worden geproduceerd uit
verschillende steekproeven van dezelfde populatie (Hernon & Schwartz, 2009). In dit
onderzoek wordt de interne consistentie onderzocht.
Voor de meting van de interne consistentie worden de totale probleemschaal, de subschaal
hyperactiviteit en de subschaal prosociaal gedrag gebruikt. De totale probleemschaal meet de
score van alle subschalen van de SDQ, behalve de subschaal prososciaal gedrag. De subschaal
hyperactiviteit meet de mate van hyperactiviteit en de subschaal prosociaal gedrag meet of er
problemen zijn op het gebied van sociaal gedrag.
Validiteit verwijst de mate waarin het instrument meet wat het beweert te meten (Hernon
& Schwartz, 2009). In dit onderzoek wordt gekeken naar de convergente validiteit, de
discriminante validiteit en de criteriumvaliditeit van de subschaal hyperactiviteit. De
convergente validiteit bepaalt of het construct dat gemeten moet worden ook daadwerkelijk
wordt gemeten. Dit kan onderzocht worden door middel van twee verschillende instrumenten
, BETROUWBAARHEID EN VALIDITEIT VAN DE SDQ 3
die hetzelfde begrip meten, namelijk de subschaal hyperactiviteit van de SDQ en de CPRS-
RL schaal C hyperactiviteit. De CPRS-RL schaal C hyperactiviteit wordt gebruikt omdat het
net als de subschaal hyperactiviteit de mate van hyperactiviteit meet. Hoe hoger de
samenhang tussen de twee schalen is, hoe hoger de convergente validiteit zal zijn.
Daarnaast wordt de discriminante validiteit bepaalt. Bij deze vorm van validiteit is het van
belang dat er een zwakke/geen samenhang is met instrumenten die een ander construct meten.
Voor het onderzoeken van de discriminante validiteit worden twee instrumenten gebruikt die
beide een ander begrip meten, namelijk de subschaal hyperactiviteit van de SDQ en de K-
SADS aantal symptomen ODD schaal. De K-SADS aantal symptomen ODD schaal wordt
gebruikt omdat deze schaal het aantal symptomen van ODD meet en niet de mate van
hyperactiviteit.
Als laatst wordt de criteriumvaliditeit onderzocht. Bij deze vorm van validiteit is het van
belang dat de vragenlijst een voorspellende waarde heeft. Dit wordt onderzocht door middel
van de subschaal hyperactiviteit van de SDQ en de K-SADS diagnose attention deficit
hyperactivity disorder (ADHD) hyperactief-impulsief schaal. De K-SADS is een ouder-kind
interview met gegevens van ouders en kinderen. Diagnoses worden vervolgens afgeleid door
het synthetiseren van de ouder- en kind gegevens (Kaufman et al., 1997). De K-SADS
diagnose ADHD hyperactief-impulsief schaal wordt gebruikt omdat deze schaal gebruikt
wordt voor het afleiden van diagnoses en er dus gemeten kan worden of de subschaal
hyperactiviteit een voorspellende waarde heeft op de resultaten van de K-SADS diagnose
ADHD hyperactief schaal.
Methode betrouwbaarheid
Deelnemers
De SDQ vragenlijst werd ingevuld door de ouders van 950 kinderen, waarvan 48.2%
jongens en 51,8% meisjes. De leeftijd varieerde tussen de 6,12 en 11,64 jaar (M = 9.04, SD =
1.48).
Meetinstrument
Met de SDQ wordt de geestelijke gezondheid van kinderen onderzocht (Vostanis,
2006). De totale SDQ vragenlijst bestaat uit 25 items en vijf subschalen (Goodman, 1997). De
totale probleemschaal en de subschalen hyperactiviteit en prosociaal gedrag werden
onderzocht. De totale probleemschaal bestaat 20 items en bestaat uit de subschalen
hyperactiviteit, emotionele problemen, gedragsproblemen en problemen met relaties met
personen die tot dezelfde sociale groep behoren. De subschaal prosociaal gedrag valt niet
onder de totale probleemschaal.