Functies van de inleiding
● Onderwerp beschrijven
● Aanleiding noemen
● Centrale vraag stellen
● Mening van de schrijver geven
● Samenvatting geven
● introduceren/voorstellen van personen
→ Een inleiding kan meerdere functies hebben.
Functies van het slot
● Conclusie geven
● Samenvatting geven
● Advies geven
● Een waarschuwing geven
● Een toekomstverwachting geven
Opbouw van de kern
● De kern van een tekst is opgebouwd uit alinea’s
● Alinea’s hebben meestal een kernzin
● Tussen woorden, zinnen en alinea’s van een tekst bestaat tekstverband.
Hoofdgedachte bepalen
→ De hoofdgedachte van een tekst is het belangrijkste wat de schrijver over het onderwerp zegt.
→ Het onderwerp staat soms al in de titel genoemd.
→ De hoofdgedachte is altijd een hele zin.
Structuur in teksten
Driedeling:
● Inleiding
● Kern/midden
● Slot
Tweedeling (nieuwsberichten)::
● Inleiding
● Kern/midden
1
, Tekstdoelen, tekstsoorten en tekstvormen
Tekstdoelen Uitleg Tekstsoorten Tekstvormen
Informeren/ Je komt iets nieuws te weten. Informatieve tekst Nieuwsbericht,
uiteenzetten Je krijgt alleen informatie, werkstuk, tekst in
geen uitleg. studieboek,
informatieve tekst in
krant of tijdschrift
Overtuigen Je wordt met argumenten Overtuigende tekst Ingezonden brief,
ervan overtuigd dat iemands (betoog) recensie, column
mening de juiste is.
Activeren/overhalen Je wordt met activerende Activerende/aansporende Folder, advertentie,
woorden aangespoord iets te tekst reclame, klachtenbrief,
kopen of te gaan doen. sollicitatiebrief
Amuseren Je wordt vermaakt. Amuserende tekst Gedicht, roman, strip
Uitleg geven Er wordt iets uitgelegd of een Uiteenzettende tekst Handleiding, bijschrift,
advies gegeven hoe je iets recept
het best kan doen.
Beschouwen Je laat de lezer een mening Beschouwing Tekst in een krant of
vormen. Je ziet verschillende tijdschrift
kanten van het onderwerp.
Ezelsbruggetje: UIBOAA
Tekststructuren
Tekst bestaat uit onderdelen die met elkaar samenhangen → deze onderdelen geven een
tekststructuur
Alinea’s bieden structuur op verschillende manieren:
1. Signaalwoorden → geven aan dat er een verband is, maar ook welk verband dat dan is.
2. Overgangszinnen → let op verwijswoorden in de samenvattende zin aan het begin van een
alinea.
3. Door herhaling
4. Aankondigende zinnen → in deze zinnen staat letterlijk wat er gaat komen: In wat nu volgt…..
Ezelsbruggetje: SODA
2