4.1 Je verandert
Mensen verschillen van elkaar, mannen van vrouwen, jongens van meisjes.
Geslachtskenmerken:
Kenmerken waaraan je een geslacht kunt herkennen.
Primaire geslachtskenmerken = Geslachtskenmerken die al bij de
geboorte aanwezig zijn.
Secundaire geslachtskenmerken = Geslachtskenmerken die vanaf je
tiende jaar ontstaan (verschil tussen kind en volwassene)
Sommige veranderingen kun je aan jezelf herkennen (groeien in de lengte,
haargroei e.d.). Andere veranderingen kun je niet aan jezelf zien (functioneren
van je voortplantingsorganen)
Puberteit =
De tijd, die vanaf je twaalfde begint, waarin je zowel lichamelijk als geestelijk
en sociaal verandert.
Groeispurt =
Vanaf je twaalfde begin je opeens heel erg te groeien.
Lichamelijke verandering
Man vrouw
primair penis vagina
balzak schaamlip
secundair borsthaar borsten
Zwaardere stem Bredere heupen
baardgroei Rondere vormen
Gespierde lichaamsbouw
De lichamelijke veranderingen in de puberteit komen niet allemaal tegelijk.
Iedereen ontwikkelt zich in zijn eigen tempo.
,Geestelijke verandering
Naast lichamelijke verandering in de puberteit, verander je ook geestelijk: je
krijgt andere gevoelens (seksualiteit gaat een rol spelen, verliefd worden,
relaties aangaan e.d.) en je je wordt zelfstandiger. Ook hierin verschilt het
tempo en zijn meisjes vaak sneller dan jongens.
Sociale verandering
Je gaat je anders opstellen tov je ouders en je omgeving. Je wilt niet meer als
een kind behandeld worden, hebt vaak meer vrienden in groepjes, sommige
zijn onzeker of verdrietig.
Noem 3 lichamelijke veranderingen in de puberteit:
Groeispurt
Voortplantingsorganen beginnen te functioneren
Secundaire geslachtskenmerken ontstaan
Noem 3 geestelijke veranderingen in de puberteit:
Meer belangstelling krijgen voor andere mensen
Soms verliefd worden op iemand
Seksualiteit begint een belangrijke rol te spelen in het leven
Noem 3 Sociale veranderingen in de puberteit:
Zelfstandiger opstellen
Graag deel uitmaken van een groepje jongeren
Last hebben van nare gevoelens (onzekerheid, eenzaamheid)
, 4.2 Het voortplantingsstelsel van een man
De voortplantingsorganen zijn voor een deel zichtbaar en liggen voor een deel
in de onderbuik. Bekijk afb 9 blz 157, afb 12 blz 159
Het voortplantingsstelsel van de man bestaat uit:
Balzak:
Huidplooi waarin teelballen en bijballen liggen.
Heeft een gunstige temperatuur voor de ontwikkeling van zaadcellen
Teelballen:
Produceren vanaf je 13e jaar de zaadcellen of spermacellen (de mannelijke
geslachtscellen) onder invloed van een hormoon uit de hypofyse
Bijballen:
Tijdelijke opslagplaats voor zaadcellen.
Zaadleider:
Vervoeren de zaadcellen
Zaadblaasjes:
Voegen vocht toe aan de zaadcellen. Het vocht bevat voedingscellen
Prostaat:
Voegt net als de zaadblaasjes vocht met voedingstoffen toe aan de
zaadcellen.
Urinebuis:
Voert urine af vanuit de blaas. Bij een zaadlozing komt het sperma hierdoor
naar buiten.
Zaadcellen of spermacellen:
Sperma = vocht uit de zaadblaasjes en prostaat waarin de zaadcellen zitten
Penis:
Dient voor het inbrengen van de zaadcellen in het lichaam van de vrouw.
De top van de penis = de eikel
Zwellichamen:
Kunnen zich met bloed vullen waardoor de penis stijf wordt (erectie)
bekijk afb 13 blz 159
Eikel:
top van de penis; Is erg gevoelig, het aanraken ervan kan ertoe leiden dat de
man seksueel opgewonden raakt.
Voorhuid:
De dunne huidplooi waarmee de eikel is bedekt. Bij sommige volkeren
wordt deze weggesneden = besnijdenis (hygiënische of godsdienstige reden)