Samenvatting BT2 hoofdstuk 1 t/m 9
Hoofdstuk 1 oriëntatie op rekenen-wiskunde in groep 1-2
Bij jonge kinderen is het belangrijk dat je vanuit een betekenisvolle situatie werkt.
Kinderen leren in groep 1 en 2 de cijfersymbolen 0 tot en met 9 te herkennen.
Meten begint voor kleuters met het vergelijken van twee objecten:
- met de ruggen tegen elkaar gaan staan om te zien wie het langst is
- Twee koeken op elkaar leggen om te zien welke koek het grootst is
- Je voet naast je schoen houden om te kijken of de schoen niet te groot of te klein is
Door het vergelijken en er gesprekken over te voeren krijgen de kinderen langzaam
inzicht in wat 'lengte' en 'meten' betekenen. Lengte is een grootheid die in het
basisonderwijs aan bod moet komen, net als de grootheden oppervlakte, inhoud,
gewicht, tijd en snelheid.
Lengte is een objecteigenschap die voor kleuters nog altijd niet helder te
onderscheiden is. Kleuters kijken nog weinig gericht, maar ervaren voorwerpen door
hun totaliteit.
Op de basisschool is het natuurlijk nodig om te weten welke leerstof in welke groep
aan bod komt. Dit kan je terug vinden in ideeënboeken voor de onderbouw. In de
kerndoelen en de lesstof van de bovenbouw kan je eenvoudig nagaan of de leerstof
voor groep 1-2 daar al op voorbereidt. De kerndoelen 23 tot en met 33 gaan over
rekenen-wiskunde. De doelstellingen hebben betrekking op:
- wiskundig inzicht en handelen
- Getallen en bewerkingen
- Meten en meetkunde
Begrip Betekenis
Tellen en (Akoestisch) opzeggen van de telrij
rekenen Werken met telbare hoeveelheden, zoals synchroon tellen,
nummeren, resultatief tellen, vergelijken op meer en minder,
verkort tellen en globaal schatten
1 of 2 erbij of eraf
Werken met getalsymbolen
Meten Vergelijken en ordenen, zoals met lengte, gewicht, inhoud,
oppervlakte, tijd en geld
Afpassen met natuurlijke en standaardmaten, zoals met lengte,
gewicht en inhoud
Meetkunde Orienteren en lokaliseren
Construeren met concreet materiaal
Spiegelen, draaien en verschuiven
Werken met schaduwen
Meetkundetaal