Nederlandse werkwoordspelling
Het voltooid deelwoord: staat samen met een hulpwerkwoord van zijn, hebben of worden.
De infinitief: het hele werkwoord, kan niet van tijd veranderen.
Regels van de verschillende werkwoordsvormen:
Persoonsvorm
Tegenwoordige tijd Verleden tijd
Enkelvoud Ik Ik-vorm Ik-vorm + te/de
1e persoon
Je/jij/u Ik-vorm + t Ik-vorm + te/de
2e persoon
Hij/zij/het Ik-vorm + t Ik-vorm + te/de
3e persoon
Meervoud Wij Ik-vorm + en Ik-vorm + ten/den
1e persoon
Jullie Ik-vorm + en Ik-vorm + ten/den
2e persoon
Zij Ik-vorm + en Ik-vorm + ten/den
3e persoon
Let op: als 'je' achter de persoonsvorm staat en 'je' is onderwerp, dan alleen de ik-vorm.
De vervoeging van de persoonsvorm tegenwoordige tijd en verleden tijd
Verleden tijd: is de laatste letter van de stam S, F, K, T, CH, P, X ('t ex kofschip) -> dan gebruik je een t.
Bijvoorbeeld: maken -> stam = mak -> ik-vorm = maak -> verleden tijd = maakte.
beloven -> stam = belov -> ik-vorm = beloof -> verleden tijd = beloofde.
, Het voltooid deelwoord:
Iets is klaar of over.
Het is geweest.
Kan niet van tijd veranderen, bepaalt de tijd in de zin.
Ik ben naar huis gegaan.
Meestal een combinatie met hebben, zijn of worden.
Ik heb gedronken.
Ik ben verdwaald.
Jij wordt beloond.
Begint vaak met ge-, be- of ver-.
Geraakt - geroepen
Verdiend - verloren
Bereikt - begrepen
Gestofzuigd - toegetakeld
Kun je niet weglaten.
Hij is vertrokken zonder iets te zeggen.
Voltooid deelwoord -> d of t?
Gebruik wederom 't ex kofschip.
Voltooid deelwoord bijvoeglijk gebruikt:
Kun je weglaten.
Schrijf je zo kort mogelijk -> voltooid deelwoord + e.
De vergrote foto
De gewitte muur
Het onvoltooid deelwoord:
Het hele werkwoord + d of de
Kan ook bijvoeglijk gebruikt worden.
Wachtend op de man nam hij nog een kop koffie.
De wachtende man nam nog een kop koffie.
De gebiedende wijs:
De ik-vorm.
Ga naar de wachtruimte!
Doe de deur achter je dicht.
Zinsontleding en samengestelde zin
Persoonsvorm: altijd een werkwoord, de zin vragend maken.
Gezegde: zegt iets over wat het onderwerp doet.
Werkwoordelijk gezegde -> alleen werkwoorden.
Naamwoordelijk gezegde -> koppelwerkwoord + naamwoordelijk deel.
Naamwoordelijk deel = zegt iets over het onderwerp.
Koppelwerkwoorden = (onder andere) zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen.
Lijdend voorwerp: wie/wat + persoonsvorm (+rest gezegde) + onderwerp? Het lijdend voorwerp gaat
over wie of wat het gezegde ondergaat.
Meewerkend voorwerp: aan/voor wie/wat + persoonsvorm (+ rest gezegde) + onderwerp? Het
meewerkend voorwerp is een aanvulling op het gezegde.
Bijwoordelijke bepaling: de 'rest'. Dit zinsdeel bepaalt altijd iets ten opzichte van de rest van de zin.