Hoge Raad der
Nederlanden
11 oktober, 2021 Universiteit Utrecht
, Werkgroep 37
Aantal woorden: 2233/2250
Onderdeel 1
De rechtsvraag
Heeft de verdachte zichzelf willens en wetens blootgesteld aan de
aanmerkelijke kans dat de benadeelde zwaar lichamelijk letsel door de
glassplinters zou bekomen, en is er zodoende sprake van voorwaardelijke
opzet tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel in de zin van art. 302
Wetboek van Strafrecht?
Onderdeel 2
De relevante feiten
In onderhavig arrest is de tenlastelegging van het Openbaar Ministerie niet
opgenomen. In de overwegingen van de Hoge Raad (hierna: HR) en in de
conclusie van de Advocaat Generaal (hierna: A-G) zijn de
bewezenverklaringen opgenomen, welke enkel gericht zijn op het vervullen
van de bestanddelen van de strafbare feiten waarvoor het hof de verdachte
heeft veroordeeld.1 Het bewezenverklaarde onder 1 kan maar beperkt
gebruikt worden voor het vaststellen van de feiten nu in casu juist de door
het hof bewezenverklaarde opzet het discussiepunt is.
De relevante feiten zijn in onderhavig arrest moeilijk te bepalen. De
bewijsmiddelen kunnen niet als vaststaand worden beschouwd, maar kunnen
wel enig inzicht verschaffen over wat zich heeft afgespeeld.2 We zullen voor
de relevante feiten daarom mede afgaan op wat we op basis van de
bewijsmiddelen aannemelijk achten.
Uit bovengenoemde leiden we het volgende af: De benadeelde is naar het
huis van de verdachte gegaan, benadeelde was daar niet welkom. Verdachte
heeft de woorden: “Ik maak je kapot” tegen benadeelde geroepen.
Vervolgens is de benadeelde vertrokken, en achter het huis van de
verdachte langs gereden. Verdachte is ondertussen door het huis heen naar
achteren gelopen, heeft onderweg een hamer gepakt en heeft vervolgens
deze hamer op de autoruit van de benadeelde gegooid. De autoruit is
daardoor zwaar beschadigd en er kwamen veel glasscherven in de auto
terecht. De benadeelde bevond zich alleen in de auto. Voor zover bekend is
benadeelde niet gewond geraakt.
Onderdeel 3
De rechtsgang
1 Zie Hof punt 1 en HR punt 2 en 3.
2 Zie HR r.o. 2.2.2 en A-G conclusie punt 4.
1